Als de vijftigjarige Jan van Ommen uit Kampen op woensdagmiddag 11 juli 2007 naar het treinstationnetje in Elst, bij Nijmegen, rijdt, heeft hij een vaag idee wat hem te wachten staat. Hij heeft gereageerd op een ‘speurder’ waarin Maya zich aanbiedt voor sm. Ze hebben wat gemaild, voor beiden is het nieuw, hij hoeft er niet voor betalen. Wat Van Ommen onmogelijk kan weten is dat in de douche een bijltje, handzagen en vuilniszakken klaarliggen en dat het mes dat in de woonkamer op tafel ligt niet alleen bedoeld is om tomaten mee te schillen. Maya fantaseerde er al lang over iemand te vermoorden en ze had internet geraadpleegd om een lijk spoorloos te laten verdwijnen. Of is het heel anders? Tijdens het proces kan Maya zich een heleboel details niet meer herinneren...
“Ik voelde me stom,” zegt Arwen B.(28) als ze in januari in Arnhem terechtstaat. Ze snikt veel en is moeilijk te verstaan. Ze heeft een wat kinderlijk gezicht, is een beetje te dik en met haar lange haar en onopgemaakte gezicht kan ze zo doorgaan voor een zwartekousenmeisje van de Veluwe. Het is moeilijk voor te stellen dat deze zachtaardige jonge vrouw een moordenares is, die met zeven diepe steken een vijftigjarige man van het leven heeft beroofd. Maar toch is dat wel gebeurd, dat geeft ze ook toe, maar waarom deed ze het? Wilde ze, zoals ze zelf zegt, experimenteren met sm en eindelijk ook wel eens dominant zijn? Of was het sm-gedoe alleen bedoeld om een slachtoffer gemakkelijk te kunnen beroven en te vermoorden?
Niemand weet of het echt gebeurd is. In haar fantasiewereld spelen sterke krachtige vrouwenfiguren de hoofdrol, er wordt veel gevochten, het is een woeste ruige wereld. Ze wil ook een thriller schrijven en ze heeft een plan: een moord plegen. Ze heeft een ‘boodschappenlijstje des doods’. De spullen die ze al heeft aangeschaft, zijn afgevinkt: de bijl, de zagen en de vuilniszakken liggen in de douche, de chirurgenhandschoenen zijn er, tape, ammoniak, de pruik, het mes. Op internet heeft ze allerlei misdaadsites bezocht, onder anderen ‘how to become an assassin’(hoe word ik een moordenaar) en ‘how to dispose a body’ (hoe ontdoe je je van een lijk).
Enkele dagen van tevoren nog heeft ze informatie opgevraagd over hoeveel geld je met een pinpas kunt opnemen.
De politie vindt ook een briefje met een planning:
twee uur station Elst;
kwart over twee thuis;
drie uur Elst, auto;
vier uur Zwolle, zijn auto;
zes uur Arnhem, trein;
zeven uur Die Hard IV;
bank 23.55 uur en 0.05 uur.
In deze planning is het de bedoeling het slachtoffer te doden en het lichaam in vuilniszakken te doen. Daarna zou ze met zijn auto naar Zwolle rijden, met de trein teruggaan naar huis en rond middernacht twee keer pinnen: kort voor en kort na twaalf uur, twee keer 1000 euro. Het loopt anders.
Om twee uur staat Jan van Ommen uit Kampen te wachten bij het station in Elst. Hij had zich tijdens het e-mailcontact uitgegeven als Gerard van Putten uit Zwolle. Arwen had zich Maya genoemd. Zij heeft een petje op en een zonnebril, ze draagt een pruik met lang rood haar, een zwarte jurk en zwarte laarzen. Ze rijdt met haar auto naar het station, na een korte begroeting (‘Hallo’) stapt Van Ommen achter in haar auto. Hij krijgt meteen een blinddoek voor, zodat hij niet kan zien waar ze woont, en ze doet hem handboeien om. Het spel begint meteen: “Ik ga je echt meenemen!” zegt Arwen. Het is maar een paar minuten rijden naar Oosterhout. Bij de zijdeur stappen ze uit. “We gingen naar de woonkamer en probeerden een beetje het spel te doen,” zegt Arwen bij de rechtbank, maar de sfeer zit er niet echt in. “Ik heb zijn blouse uitgetrokken en zijn schoenen uitgedaan, verder niet.
Toen begon ik hem een beetje te plagen, te kietelen. Hij moest gaan liggen op het kleed in de kamer.” Maar ze voelt zich niet zo dominant als ze had gehoopt, “ik voelde me stom,” zegt ze, en ze denkt: dit is niet echt iets voor mij. Van Ommen vindt het wel spannend, ze masseert en kietelt hem weer wat. Zijn enkels zijn met touw vastgebonden, zijn handen op zijn rug met handboeien. Dat laatste begint hem een beetje zeer te doen en hij wil een sigaretje roken. Arwen maakt één hand los. “Toen ging het helemaal fout. Hij greep mij bij de borsten en drukte me naar de grond. Toen ging ik vechten.”
De politie begint met het achterhalen van de identiteit van de dode man, die volgens Arwen ‘Gerard van Putten’ heet. In zijn kleding wordt een autosleutel gevonden, in de auto bij het station in Elst ligt een rekening die op naam staat van Van Ommen. Ze nemen contact op met de politie in de regio IJsselland, waar om tien uur ’s avonds een melding is binnengekomen van een vrouw die zich ongerust maakte: haar man was niet thuisgekomen. De volgende morgen om zes uur staat de politie bij haar voor de deur. Haar man zal nooit meer thuiskomen.
Waarom moest Jan van Ommen dood? Tijdens de rechtszitting in Arnhem lijdt Arwen aan geheugenverlies: ze weet niet meer wat echt is en wat niet. Eigenlijk is ze alles kwijt, vanaf het moment dat er met het mes gestoken is totdat ze zelf in het ziekenhuis behandeld werd. “Ik voelde me slecht, ik zal het wel gedaan hebben.” Haar vele honderden pagina’s tellende verklaringen vallen in twee categorieën uiteen. Het eerste deel spoort met wat ze tijdens het proces verklaart: ze zouden een sm-spel spelen, Van Ommen hoefde niet te betalen, een presentje was welkom. Hij had inderdaad een fles drank meegenomen. De omslag was gekomen toen hij haar ineens bij de borsten had gepakt, toen was ze door het lint gegaan.
Het tweede deel is de versie die de officier van justitie volgt: het sm-spel was bedacht om het slachtoffer weerloos te maken en gemakkelijker te kunnen beroven. Daar verklaart Arwen zelf ook over: “Ik heb gedreigd met een mes, ik had geld nodig, hij zou mij geld geven, dat wilde hij niet, ik werd heel boos” en “Hij moest volgens de planning dood. Toen ik de pincode opschreef, kwam hij overeind.”
Ergens daar doorheen speelt dan het moordplan: de voorbereidingen waren getroffen, alles was klaar, “maar,” zegt ze, “als ik echt van plan was geweest iemand om te brengen had ik het wel slimmer aangepakt.”
Officier van justitie mr. A. van Veen eist een gevangenisstraf van negen jaar en tbs met dwangverpleging als de rechtbank moord (voorbedachte rade) bewezen acht en negen jaar en tbs met voorwaarden als de rechtbank uitgaat van doodslag. De uitspraak, 23 januari: tien jaar celstraf plus tbs met dwangverpleging.
Behalve van de moord op Van Ommen wordt Arwen B. ook verdacht van oplichting, samen met haar jongere zus Gerlinde. Het gaat om een keurige heer van middelbare leeftijd, die tijdens het proces aanwezig is als benadeelde partij. Ze heeft deze meneer Van I. leren kennen toen ze als prostituee werkte, onder de naam Anouk. In april 2006 probeert ze hem samen met haar zus 10.000 euro afhandig te maken. Van I. is verliefd op haar en weet haar mail-adres te achterhalen. Hij stuurt haar ook sms-berichten, Arwen voelt zich gestalkt en doet daar aangifte van, maar dat helpt niet echt. Samen met zus Gerlinde bedenkt ze een plan: Gerlinde doet zich voor als haar nichtje Eva, ze maakt een afspraak met hem en vertelt dat ‘Anouk’ in Roemenië vastzit en alleen terugkan als haar identiteitspapieren geregeld worden. Dat kost tienduizend euro. Uiteindelijk betaalt hij niet, maar hij raakt wel 3000 euro kwijt: Arwen heeft zijn portemonnee gerold en geld gepind. Hij merkt het pas als zijn vrouw vraagt waarom hij zulke grote bedragen heeft opgenomen. Van I. verklaart bij de politie: “Ik snap niet waarom ze dat heeft gedaan, ze kon zo geld van mij krijgen.” Inmiddels wil hij die 3000 euro wel terug en hij wil Arwen verplichten eens in de twee weken contact met hem op te nemen.
De weduwe van het slachtoffer maakt gebruik van het spreekrecht. Ze is bij de hele zitting aanwezig. Het is een emotionele toespraak die ze uitspreekt met een door tranen verstikte stem. “Mijn man had gezegd dat hij die avond om negen of tien uur thuis zou komen. Hij ging wel meer alleen weg, dat was niet raar. Ik had ’s middags nog een keer geprobeerd hem te bellen, om hem iets te vertellen, maar hij nam zijn mobiele telefoon niet op en ook belde hij later niet terug, dat was niets voor hem. ’s Avonds kreeg ik een steeds naarder gevoel en ben ik in paniek geraakt. Om tien uur ’s avonds heb ik de politie gebeld. Ik was ongerust, ik vroeg me af of hij soms dood was. ’s Morgens om zes uur kwam de politie aan de deur, dat ze hem gevonden hadden en dat hij niet meer leefde. Het voelde alsof ik zelf dood was, een heel misselijke grap. Er moest sectie worden verricht, het duurde een eeuwigheid voor hij in Kampen was. We woonden 22 jaar samen, we hebben lief en leed gedeeld, het is verschrikkelijk als iemand op deze wrede onmenselijke manier uit het leven weggerukt wordt. De gedachte dat hij hulpeloos was, is verschrikkelijk. Het speelt steeds door mijn hoofd: waarom doet iemand zoiets? Hij was een goede en lieve man, dit had hij niet verdiend. Ik kan hier niet mee leven, ik kan me zelf ook beter door een auto laten overrijden. Ik ben naar het kerkhof gegaan, daar heb ik geschreeuwd en gegild. Ik moet door dit rouwproces heen. Ik mis hem. We deden heel veel dingen samen. Zo kwam hij altijd tussen de middag thuis om te eten. We hadden geen kinderen, dan ben je veel op elkaar aangewezen, we hadden het erg gezellig samen. ’s Nachts word ik huilend wakker. We woonden in een groot huis, ik voel me niet veilig, ik ben bang dat er iemand aan de deur komt om mij te vermoorden. Ik schrok als de bel ging, ik ben inmiddels verhuisd naar een flat, als ik dingen niet vertrouw, bel ik de politie. Ik probeer mijn leven op te pakken, maar ik voel me verloren in de wereld waarin ik leef, ik voel me een outcast. Vroeger was ik altijd vrolijk, ik hield van muziek, ik zong heel veel, nu is mijn stem gebroken, door alle spanning. Ik ben 10 kilo afgevallen, ik moet me er toe zetten iets te eten. Vroeger deden we dat samen. Ik wilde samen met Jan oud worden, maar die toekomst met Jan is van mij afgepakt. Waarom? Het was zinloos geweld, het maakt me verdrietig en boos.”
Rechter: Op 11 juli 2007 komt er om iets voor half acht ’s avonds bij de politie een melding binnen van een vrouw die zegt dat ze iemand heeft doodgestoken. Dat bent u. Even over half acht gaan agenten door de voordeur naar binnen, die is niet afgesloten. Aan het eind van de gang zien ze het levenloze lichaam van een man in een plas bloed. U bent in de woonkamer. U bent ook gewond, aan uw gezicht en andere delen, u wordt naar het ziekenhuis gebracht.
U zegt dat u de man kent als Gerard van Putten uit Zwolle, dat u een afspraak met hem had. U heeft hem opgehaald bij het station in Elst. De politie vindt een autosleutel, vindt de auto en treft daar een rekening aan op naam van J.C.H. van Ommen uit Kampen. De politie IJsselland wordt ingeschakeld, het blijkt dat er een melding is van vermissing, opgegeven door de partner van Van Ommen, mevrouw Van B. Uit sectie blijkt dat er veel steek- en snijwonden zijn, de keel is doorgesneden en er zijn diepe steekwonden in de rug. Het slachtoffer is door verbloeding omgekomen, tussen elf uur ’s morgens en vier uur ’s middags. U had hem leren kennen via internet, dat klopt hè? U had de naam Maya gebruikt.
Arwen: (knikt)
Rechter: U had afgesproken een soort rollenspel te doen, om eens dominant te zijn. Hij had daar wel interesse in, daarover heeft u met elkaar gemaild. U had een advertentie gezet op Speurders.nl
Arwen: Ja.
Rechter: Het ging om een sm-rollenspel. Hij reageerde daar op.
Arwen: Hij noemde zich Gerard van Putten.
Rechter: Eerst Ludo?
Arwen: Dat weet ik niet zeker.
Rechter: Hoe vaak heeft u gemaild?
Arwen: Een aantal keer.
Rechter: Wanneer had u de advertentie gezet?
Arwen: Een paar weken eerder.
Rechter: U had een afspraak gemaakt bij u thuis. Waarom?
Arwen: Dat was minder eng. Dat voelde beter.
Rechter: U was eerder ergens anders geweest?
Arwen: Ja.
Rechter: Wat was de bedoeling?
Arwen: Van het spel? Ik wou dominant zijn, iemand zeggen wat hij moest doen, omdat ik mijzelf klein vond, ik wilde de baas zijn. Hij wilde dat wel een keer proberen.
Rechter: Het was midden op de dag. Had dat een reden?
Arwen: Dat leek me fijner, gewoon in het dorp, dan kan er niet zoveel gebeuren.
Rechter: Het was ook minder eng dan ’s avonds?
Arwen: Ja.
Rechter: U heeft hem bij station Elst ontmoet. Hoe ging dat?
Arwen: We hadden afgesproken om twee uur, dan zouden we naar mijn huis gaan. Ik zei: "Ik ga je echt meenemen!" Ik heb hem een blinddoek omgedaan zodat hij niet precies kon zien waar we heenreden, waar ik woon.
Rechter: Hoe wist u dat hij het was?
Arwen: Ik zag iemand staan, hij stelde zich voor. We hebben hallo gezegd. Het was een beetje moeilijk om aan te beginnen. Hij ging achterin zitten, daar heb ik hem de blinddoek omgedaan.
Rechter: En zijn voeten vastgebonden?
Arwen: Ik heb hem handboeien omgedaan.
Rechter: Achter zijn rug?
Arwen: Van voren.
Rechter: En Gerard van Putten vond dat goed? Was u zelf nog vermomd?
Arwen: Ik had een pruik, met lang rood haar, en een petje op, en een zonnebril, en een zwarte jurk en zwarte laarzen. Dat hoorde bij het spel. Ik wilde dominant zijn.
Rechter: En u vond dat dat met die pruik en zonnebril wel overkwam? U bent naar huis gereden?
Arwen: De oprit op. We zijn door de zijdeur naar binnen gegaan. Hij kon de vloer wel zien, hij kon wel over de drempel stappen. We gingen naar de woonkamer en probeerden een beetje het spel te doen.
Rechter: U kende elkaar nauwelijks, u had een paar keer gemaild, hij was en vreemde voor u. Heeft u nog nader kennisgemaakt, koffie gedronken, of begon nu meteen met het spel.
Arwen: Dat hoorde bij het spel, meteen beginnen.
Rechter: Vanaf het station in Elst. U was in de woonkamer. En toen?
Arwen: Ik heb hem zijn blouse uitgetrokken en zijn schoenen uitgedaan.
Rechter: En zijn sokken.
Arwen: Ja. Verder niet. Toen begon ik hem een beetje te plagen, te kietelen. Hij moest gaan liggen op het kleed in de kamer.
Rechter: Dat had u vooraf klaargelegd, dat kwam uit de slaapkamer.
Arwen: Ja.
Rechter: Kietelen, plagen. Hoe was de sfeer, was u zo dominant als u wilde?
Arwen: Nee, ik moest giechelen, ik voelde me stom, "dit is niet echt iets voor mij."
Rechter: Heeft u dat tegen hem gezegd?
Arwen: Nee.
Rechter: Had u die zonnebril en die pruik nog op?
Arwen: Nee, die had ik afgedaan. Zijn blinddoek was verschoven, die had ik ook afgedaan.
Rechter: Schoenen uit, overhemd, maar u zat nog niet echt in de sfeer. En toen? Hoe lang was u toen bezig?
Arwen: Ik heb niet echt op de tijd gelet.
Rechter: Een half uur? Twee uur?
Arwen: Langer dan een uur.
Rechter: U gaf bevelen.
Arwen: Ja. Dat hij moest gaan liggen.
Rechter: U had het niet echt voorbereid, niet over nagedacht.
Arwen: Wel een beetje, maar ik voelde me zo stom. Niet dominant.
Rechter: Zei meneer van Ommen nog iets?
Arwen: Niet veel. Hij vond het wel spannend.
Rechter: U kietelde en masseerde hem een beetje. Was hij nog geboeid?
Arwen: Ik had zijn enkels met touw vastgebonden en zijn handen op zijn rug met handboeien. Die boeien deden zeer, zijn arm deed pijn en hij wilde een sigaretje roken. Toen heb ik ze losgemaakt.
Rechter: Allebei?
Arwen: In elk geval één.
Rechter: Hij wilde een sigaretje roken. Heeft hij dat gedaan?
Arwen: Nee.
Rechter: Wat is er toen gebeurd?
Arwen: (lang stil, huilt) Toen ging het helemaal fout.
Rechter: Kunt u vertellen waarom het fout ging?
Arwen: Hij greep mij bij de borsten en drukte me naar de grond. Toen ging ik vechten.
Rechter: Had u die andere handboei nog ergens aan vastgemaakt?
Arwen: Aan zijn broek. Ik had het idee dat hij me met twee handen greep, ik weet het niet meer.
Rechter: U had één handboei losgemaakt.
Arwen: Ik draaide me om, hij stond bij de tafel.
Rechter: Stond hij achter u? Greep hij u met één of twee handen beet?
Arwen: Ik weet het niet meer.
Rechter: Wel dat hij u naar de grond probeerde te drukken. Wat gebeurde er toen?
Arwen: Hij sloeg me op mijn hoofd met een tafelpoot.
Rechter: Schrok u?
Arwen: Dat weet ik niet. Hij ging mij pakken.
Rechter: Zei hij iets in die trant: ik ga je pakken?
Arwen: Ik geloof het niet.
Rechter: Dat naar de grond drukken, lukte dat?
Arwen: Nee. Ik stribbelde tegen, ik vocht terug.
Rechter: Kunt u zich herinneren hoe dat ging?
Arwen: Het was echt een worsteling.
Rechter: Had u hem vast, of hij u? Of allebei?
Arwen: Ik wilde weg, hij hield mij vast.
Rechter: Hij sloeg u met de tafelpoot. Op dat moment of later?
Arwen: Bij het begin.
Rechter: Tot dan toe was het een rollenspel geweest. Er is een pauze. Blijkbaar gebeurt er iets. Kunt u terughalen wat er veranderde?
Arwen: Ik zag het niet aankomen.
Rechter: Het feit dat hij u bij de borsten pakte, het tegenstribbelen, het naar de grond drukken, en wat dan?
Arwen: Ik weet niet hoe alles in volgorde was, wel dat hij een mesje pakte, dat lag op tafel.
Rechter: Voor of na de tafelpoot?
Arwen: Na.
Rechter: Die tafelpoot, lag die op tafel? Zag u dat aankomen? Waar heeft hij u geraakt?
Arwen: Op mijn hoofd.
Rechter: U heeft die uit zijn hand geslagen, hij vloog naar de andere kant van de kamer. Hoeveel keer heeft hij geslagen?
Arwen: Eén keer.
Rechter: Oké. En toen? Was het vechten of worstelen?
Arwen: Er was geen ruimte tussen ons in, het was een worsteling.
Rechter: Hij pakte het mesje van tafel. Zag u dat aankomen?
Arwen: Het ging heel snel. Ik weet niet precies hoe het ging.
Rechter: Waarom lag dat mes daar?
Arwen: Het lag op een bord. Ik had van tevoren iets gegeten.
Rechter: Wat gebeurde er toen?
Arwen: Hij zwaaide ermee.
Rechter: Weet u in welke hand hij het had?
Arwen: Nee.
Rechter: U heeft het afgepakt. Hoe ging dat?
Arwen: Dat weet ik niet zo goed.
Rechter: Het is lastig dat u zichzelf niet bezeert, u had geen snijwonden aan uw hand,. Weet u dat nog?
Arwen: (lang stil) Niet precies. Moeilijk. Een deel. Ongeveer. Ik kan het wel beredenen, maar ik weet het niet zeker meer.
Rechter: Daar heeft u moeite mee. Wat wij hier doen is het zoeken naar de waarheid. Als u het echt niet weet, moet u dat zeggen, U was erbij, verder was er niemand. Als iemand het kan vertellen, bent u het. Het moment dat u het mes heeft afgepakt, kunt u zich niet voor de geest halen?
Arwen: Nee.
Rechter: Welk moment dan wel?
Arwen: Pas later. Ik weet niet wat echt is, wat er gebeurd is (huilt)
Rechter: Welk moment vond u wel echt?
Arwen: Veel later. Er was een mevrouw bij mij in het ziekenhuis. Denk ik. Van wat ervoor gebeurde weet ik ook wel veel, maar niet zeker.
Rechter: Hoe komt dat? Heeft u daar een verklaring voor?
Arwen: Het zit in mijn hoofd, ik heb nachtmerries. Verhalen over hoe het zou kunnen zijn gebeurd, verschillende versies.
Rechter: U hebt het zo als een film in uw hoofd beleefd dat u niet meer weet wat echt is. U bent bij de terrasdeuren gekomen.
Arwen: Ik heb gehoord dat we er tegenaan zijn gekomen, of er doorheen, het glas was stuk.
Rechter: De gordijnen waren met de rail van het plafond gekomen. Weet u hoe dat gegaan is?
Arwen: Ik denk tijdens de worsteling.
Rechter: Heeft u nog geprobeerd weg te komen?
Arwen: Volgens mij wel.
Rechter: U weet het niet zeker?
Arwen: Ik weet wel dat ik heel bang was, dat ik wilde dat het stopte.
Rechter: De politie zegt: een aantal dingen klopt niet. Dat is lastig. Hoe is ’t nou gebeurd? U weet het niet meer. Uit de woonkamer bent u richting de deel gegaan. U bent met uw arm door het ruite van de deur gegaan. Kunt u zich dat herinneren?
Arwen: (lange stilte) Ik probeerde weg te komen, het lukte niet.
Rechter: Bij de politie legt u verschillende verklaringen af. In het eerste deel zegt u: We hadden een afspraak, we deden dat rollenspel, hij pakte mij bij mijn borsten en toen draaide de sfeer om. Dat is ook wat u nu zegt. In het tweede: Hij zou mij geld geven, dat wilde hij niet, ik werd heel boos. Maar dat klopt niet?
Arwen: Nee.
Rechter: Waarom heeft u dat dan verklaard?
Arwen: Ik wilde antwoorden geven, op dat moment klonk het goed. Het was stom.
Rechter: In het derde deel heeft u alles van tevoren bedacht. U wilde geen sm, dat was alleen maar om hem geboeid te krijgen, dat was makkelijker.
Arwen: Ik voelde me daar heel slecht in. Ik heb gewoon geredeneerd wat zou kunnen. Ik had het idee dat ik dat op dat moment kon vertellen, dan kon ik weg. Het klinkt zo stom, maar op dat moment voel je je zo slecht, er is iemand dood door mijn schuld, dan zit je daar, je realiseert je dat het jouw schuld is.
Rechter: U voelde zich een slecht persoon.
Arwen: Ja.
Rechter: Er is u voorgehouden dat hij letsel had.
Arwen: Hij wou het mes pakken, hij greep in het mes.
Rechter: Dat was in de woonkamer, dat bloedde zo erg. Kunt u zich dat herinneren?
Arwen: Het is nu moeilijker, ik probeer er niet zo veel aan te denken. ’s Nachts als je droomt komt het terug.
Rechter: Hij greep in het mes, u kwam in de gang terecht, richting de deel. Kunt u zich daar iets van herinneren? U liep een fikse verwonding op bij het ruitje. Bij de politie heeft u daar heel gedetailleerd over verklaard, we hebben vijfhonderd pagina’s met verklaringen. Het lijkt erop dat u daar redelijk vrij vertelt. Hoe heeft u die verhoren ervaren?
Arwen: Heel moeilijk. In het begin heb ik wel verteld van wat ik dacht dat ik wist, op een gegeven moment wist ik niet meer en kwamen er allerlei vragen.
Rechter: In de eerste verhoren heeft u verteld hoe het is gegaan?
Arwen: Ja.
Rechter: Over het slachtoffer vertelt u dat hij rustig, beschaafd en aftastend was.
Arwen: Ja.Hij had nog niet zoveel ervaring. Hij wilde het een keer proberen.
Rechter: Hij had zijn blouse uit, handboeien om, toen kwam u beter in uw rol: "Jij bent helemaal niks! Ik ben de baas!" Hij moest zeggen: "Ja meesteres." U zegt: "Ik had gedacht dat ik me heel erg machtig zou voelen."
Advocate mevrouw mr. A. Laeyendecker: En ook: "Het was niet helemaal mijn spelletje."
Rechter: "Hij pakte mij van achteren bij de borsten, hij botste hard tegen mij aan met zijn kruis."
Arwen: Ik voelde zijn hele lichaam. Ik had het niet verwacht.
Rechter: Bij sm worden er tevoren toch bepaalde afspraken gemaakt?
Arwen: Ik weet wel dat dat bestaat, maar dat is meer als je rare dingen gaat doen.
Rechter: Dit was onschuldig?
Arwen: Ja.
Rechter: U had niets afgesproken?
Arwen: Nee.
Rechter: "Hij pakte mij met zijn linkerarm om de hals, ik probeerde mij los te trekken, hij sloeg mij met iets op het hoofd."
Arwen: Dat moet de tafelpoot geweest zijn.
Rechter: Kunt u zich dat ook zo herinneren?
Arwen: Op een bepaalde manier wel.
Rechter: Dat u naar de terrasdeuren rende, dat hij u na één stap vastpakte. Later zegt u dat u hem weer naar binnen duwde. Hoe ging dat nou? Was u degene die weg probeerde te komen en hield hij u tegen of was het andersom?
Arwen: Ik wilde heel graag weg. Als hij weg had gewild, had dat zo gemogen. Hij had zo de deur uit mogen rennen.
Rechter: Over zijn dood heeft u heel uitgebreid en gedetailleerd verklaard.
Arwen: Er waren ook wel dingen dat ik dácht dat het zo was, die heb ik ook wel een beetje ingevuld.
Rechter: Kunt u daar een voorbeeld van geven?
Arwen: (lang stil) Heel veel over het vechten.
Rechter: De politie confronteert u met de technische bewijzen. Er is veel meer steekletsel dan u zegt. Dan klapt u een beetje dicht. "Ja, Arwen, er is wel meer gebeurd." Bijvoorbeeld met de computer. Als de politie zegt: dit en dit staat erop, dan zegt u: ja, dat klopt. Op de computer staat een groot aantal gewiste bestanden. U heeft ’s avonds ook nog met uw zus Gerlinde gebeld. Kunt u zich dat herinneren?
Arwen: Nee.
Rechter: U zegt: "Vanaf het gebeuren met het mes totdat ik in het ziekenhuis kwam ben ik alles kwijt." U voelde dat meneer Van Ommen verzwakte, dat hij heel bleek werd. U heeft aan zijn arm getrokken en op een gegeven moment besefte u dat hij dood was. Kunt u zich dat herinneren?
Arwen: Ik weet niet wat herinnering is en wat echt is.
Rechter: U verklaart ook dat u heel lang bij hem heeft gezeten.
Arwen: Ik dacht: "Het kan niet waar zijn," ik geloofde het niet.
Rechter: U heeft er bij staan kijken?
Arwen: Dat denk ik wel. Ik vind het moeilijk om nu te zeggen: dat weet ik.
Rechter: Er is een telefoongesprek met Gerlinde, uw zus. Kunt u zich dat herinneren?
Arwen: Ik zal wel iets gezegd hebben.
Rechter: Weet u dat niet meer? En u heeft nog computerbestanden van uw laptop gewist. U heeft geprobeerd de bloedvlek in de hal met ammoniak weg te halen. De ammoniak kwam op uw wond, dat deed zeer. U heeft uzelf verbonden met een stuk gordijn en tape.
Arwen: Ik weet dat ik dat gedaan heb, maar niet wanneer.
Rechter: Er was tape bij het lichaam van Van Ommen. U verklaart: "Ik heb zijn ogen afgeplakt nadat hij was overleden." Kunt u zich dat herinneren? U heeft het er afgehaald voordat de politie kwam. Weet u dat niet? U heeft vellen van uw notitiebloc door de wc gespoeld, de politie heeft in het riool papiersnippers gevonden. U bent geconfronteerd met de doordrukvellen. Daar stond een soort van planning en een boodschappenlijstje. Kunt u zich dat herinneren?
Arwen: De planning niet. Het boodschappenlijstje was van een tijd daarvoor, dat had hier niet mee te maken.
Rechter: Waarom was het er dan wel?
Arwen: Ik wilde een boek uitgeven over misdaad, fantasie over moord, dat is een interesse van mij.
Rechter: Daar was u al tien jaar mee bezig, met geweld. U had ook een stuk op video. "Afgelopen maanden erg in mijn fantasie gezeten. Plannen gemaakt voor moord, spullen gekocht. Het is een soort obsessie."
Arwen: Ik heb heel veel interesses, dit was er één van. Het was niet specifiek om dingen te gaan doen, het was fantasie. Ik mag graag films kijken, boeken lezen.
Rechter: Het was uw bedoeling een boek te schrijven. U zegt ook: ik wilde wel profiler worden (de advocate corrigeert dit, het is fout overgeschreven, tijdens het verhoor had ze gezegd dat ze wel politieagent wilde worden) Op het lijstje staan handschoenen, pruik, vuilniszakken, een mes, schoonmaakmiddel, wapens. U heeft dingen afgevinkt die u al had aangeschaft. U wilde er niet echt iets mee doen, maar u gaat wel die spullen kopen.
Arwen: Voor een film of toneelstuk. Ik was al een paar jaar bezig met een film over misdaad. Het klinkt heel stom. Als kind hield ik al van verkleedpartijen.
Rechter: Als u iets gekocht had, kruiste u het wel af. U zette uw fantasie wel om in reële dingen.
Arwen: Dan heb ik dat al. Als kind had ik ook al dat ik dingen naspeelde. Gewoon thuis in mijn eentje. Ik heb ook al jaren een dolk, privé, nooit dat het uit de hand zou lopen, heel onduidelijk, als ontsnapping, een lekker gevoel, alsof je een film doet.
Rechter: Er is nog een andere man geweest. U verklaart: "Dat zou een slachtoffer kunnen zijn." Hij woonde ook alleen.
Arwen: Ik heb nooit het plan gehad hem iets aan te doen. Een moordenaar is slecht, die maakt plannen. Dit was een hele lieve man, ik had medelijden met hem. Zijn dochters hadden hem in de steek gelaten. Ik had wel contact met die man willen houden, maar dat was een beetje moeilijk.
Rechter: In een verklaring van 24 juli zegt u: "Hij zat met zijn linkerarm vast op zijn rug, die zat met een handboei vast aan zijn broek. Ik was woest. Hij had me vast aan mijn haar. Hij had me geslagen met dat ding. In de woonkamer was het spel. Ik heb zijn rechterarm losgemaakt. Ik zei: ‘Je zou me nog geld geven.’ Hij zei: ‘Ik heb niks bij me, slet!’ U kijkt dan heel boos. U zegt nu: dat klopt niet? U zou 200 euro krijgen. "Geef dat geld eikel!" U werd kwaad en heeft hem gestoken.. Hij beet mij, sloeg op mijn hoofd. Hij rende naar de deur, ik rende achter hem aan: "Lul, ik wil mijn geld!" Hij doet de deur dicht, ik val met mijn arm in het ruitje. Hij kwam terug, ik viel tegen hem aan, we gingen vechten, worstelen, hij pakte mijn haar vast. Hij vocht met één arm, hij was heel sterk. Ik heb niet gedacht: ik wil hem dood hebben. Ik ging gewoon door, ik heb hem de keel doorgesneden. Ik heb mijn zus gebeld, ‘ik zit in de problemen, ik heb iets gedaan’.
Uw zus zei niet zoveel. U heeft eerst uw arm verbonden, daarna bent u zich gaan wassen. U heeft dingen op de computer gewist. U heeft eerst zitten kijken, heel lang, toen uw zus gebeld. "Het zier eruit alsof ik hem in koelen bloede heb afgemaakt, ik moet het veranderen." U bent bezig geweest met ammoniak, met die bloedvlek op de muur, maar u zag dat dat schoonmaken een wanhoopspoging was. U heeft belastende dingen weggedaan. Op de computer, op de kladblocjes. Slechte dingen, Twee speelgoedwapens en een dolk heeft u in een tas gestopt en achter op de deel gegooid. U heeft hem gesleept, gezegd: kom op! "Dat was stom, hij was al dood." Het groene touw zat om zijn enkels, ander touw om zijn pols. U heeft de chirurgenhandschoentjes terug gedaan in de doos, die had u niet gebruikt. U wist dat de dingen u wiste van de computer dat die teruggehaald konden worden, maar u heeft het toch gedaan. En toen 112 gebeld. Als u dit zo hoort, kunt u daarop reageren?
Arwen: Ik voelde me slecht, ik zal het wel gedaan hebben, dan ben ik schijnbaar een moordenaar, dit is gewoon niet zo, in mijn ogen.
Rechter: Sommige dingen die u verklaart blijken achteraf te kloppen met het technisch bewijs. Het wissen van bestanden, de spullen door de wc, uw zus gebeld, dat klopt allemaal wel.
Arwen: Ik weet niet wat wel en wat niet echt is, er zijn dingen die wel kloppen.
Rechter: U was woest dat u geen geld kreeg. Dat klopt niet?
Arwen: We hebben gemaild, het ging niet om geld.
Rechter: U bent heel boos geworden.
Arwen: Ik kan me herinneren dat ik bang was. Zal ook wel boosheid bij zijn geweest, neem ik aan.
Rechter: U was woest, u bent hem achterna gerend, u heeft hem gestoken.
Arwen: Van mij had hij weg mogen rennen, ik had zelf ook wel weg willen rennen.
Rechter: Uw zus had een sorbo-mes, u had een sorbo-mes. Voor tomaten. Maar hij kwam ook voor op het lijstje dat met de fantasie te maken had.
Arwen: Dat was niet zo.
Rechter: Het mes dat bij meneer Van Ommen is aangetroffen was verbogen. Dat moet met behoorlijke kracht zijn gebeurd. U vond het moeilijk daarmee geconfronteerd te worden. En met het sectieverslag. Rug: tien centimeter diep. Het mes van 10,5 centimeter. Longen, lever, hals. Niet iets dat per ongeluk gebeurt, het is moedwillig.
Arwen: Het zijn verschrikkelijke letsels, wat u zegt. Ik heb het niet moedwillig gedaan, het is heel erg.
Rechter: Er is een foto van de pols. De handboei zat nog vast op het moment van steken, hij had niet de beschikking over twee handen?
Arwen: Ik dacht dat hij twee handen had.
Rechter: Opmerkelijk is dat in uw badkamer een bijltje en twee ijzerzaagjes zijn gevonden. U zegt: dat was om voedsel mee te snijden. Er waren ook vuilniszakken. Die stonden ook op het lijstje. Ammoniak, om bloed weg te werken. Er was de planning. Twee uur: Elst. Kwart over twee: thuis. Drie uur: Elst, auto. Vier uur: Zwolle, zijn auto. Zes uur: Arnhem, trein. Zeven uur: Die Hard IV. U heeft gezegd: dat was het plan.
Arwen: Ik had geen plan, absoluut niet.
Rechter: "Ik zou ‘m in de vuilniszakken doen, in zijn auto naar Zwolle en met de trein terug." Heeft u dat zelf geschreven?
Arwen: Ik neem aan van wel.
Rechter: U heeft bij de giro en rabobank geïnformeerd wat u maximaal op kon nemen. "Pinnen 23.55 en 00.05 uur." In uw planning, kort vóór en kort na middernacht. Het motief? Geld. Om naar Nieuw-Zeeland te gaan, om een nieuw leven te beginnen, in de horeca.
Arwen: Ik wou inderdaad naar Nieuw-Zeeland, maar het was mij niet om geld te doen. Ik zou samen met mijn zus gaan. Eerst een jaar, om te kijken hoe het ging.
Rechter: U bezocht allerlei websites over vervalsen, en over moord: "How to become an assassin"; over verkrachtingen en moorden. U heeft dat weggehaald van de computer, u had wel het idee: dat ziet er niet goed uit, dat moet ik weghalen.
Arwen: Ik weet niet of ik dat op dat moment dacht.
Rechter: U heeft eerder advertenties geplaatst, er was twee keer een ontmoeting bij een ander thuis. U heeft gezegd: dat was wel een potentieel slachtoffer. U zegt nu: dat klopt niet. U ging vermomd naar het station in Elst, dat was ook om niet herkend te worden.
Arwen: Het kan zo opgevat worden, maar ik was wel met mijn eigen auto, ik zag er heel raar uit met die pruik.
Rechter: Sm was alleen maar cover, een makkelijke manier om iemand geboeid te krijgen. Voor de pincode. Om geld?
Arwen: Dat is in de verhoren gezegd.
Rechter: Hij had zijn portemonnee niet bij zich. U zegt: "Ik ben een lief meisje, ik heb niet zo’n soort karakter." Uw familie bevestigt dat: u bent zachtaardig. Dat zeggen ze van meneer Van Ommen ook, "hij doet geen vlieg kwaad, een heel vriendelijke man." Daarop had u hem ook uitgezocht. Wat is er misgegaan? Die pruik, zag die er echt uit?
Arwen: Niet zo heel erg. Ik zag er alleen maar heel raar uit, ik was net een clown, het was niet echt.
Arwen wordt samen met haar jongere zus Gerlinde verdacht van oplichting van een zekere meneer Van I., een keurige man van middelbare leeftijd die ze in heeft leren kennen toen ze als prostituee werkte, onder de naam Anoek/Anouk. In april 2006 hebben ze geprobeerd hem 10.000 euro afhandig te maken.
Rechter: Hij was verliefd op u. Is u gaan zoeken, via via is hij bij uw privé-mail gekomen, hij stuurde u sms-berichten, u deed aangifte van stalking. Uw zus Gerlinde maakte een afspraak met hem en deed zich voor als uw nichtje Eva. Zij vertelde dat u in Roemenië vastzat en dat u alleen terugkon als uw identiteitspapieren geregeld werden, maar dat kostte tienduizend euro. Uiteindelijk heeft hij dat niet betaald.
Arwen: Het was in eerste instantie bedoeld om hem af te schrikken, "vergeet mij nou maar." Het was niet de bedoeling hem af te persen. We hebben dat heel stom aangepakt.
Rechter: Het was niet de bedoeling hem geld afhandig te maken? Stel dat hij wel had betaald, wat dan?
Arwen: Dat weet ik niet.
Rechter: Het was wel in de periode dat hij contact zocht?
Arwen: Ja.
Rechter: Er was wel een afspraak bij het postkantoor Zwaneveld. Wat was het afschrikwekkende dan?
Arwen: Ik heb gezegd dat ik niet zo’n leuke familie had, sommigen woonden in het buitenland, ik wilde weg.
Rechter: Waar was die 10.000 euro dan voor?
Arwen: Hij heeft zelf gezegd: kan ik financieel helpen? Hij bood het aan.
Rechter: Heeft u wel eens geld van hem aangenomen?
Arwen: Ja.
Rechter: Het derde feit: het afhandig maken van een bankpas, pinnen van 3000 euro. Van meneer Van I.
Arwen: Daar neem ik de verantwoording voor.
Rechter: U en uw zus kregen ieder de helft. "Soms lopen onze hersenen zo synchroon." U had een uitkering, schulden en u wilde een zakcentje voor Nieuw-Zeeland. Hij had in eerste instantie helemaal niet gemerkt dat zijn bankpasje weg was, zijn vrouw confronteerde hem met de bedragen die opgenomen waren. Van I. zegt: Ik snap niet waarom ze dat heeft gedaan, ze kon zo geld van mij krijgen.
Het vierde feit: Op 25 juni 2004 heeft u een tas met inhoud gestolen, van mevrouw L., in een sportzaal. Na het douchen heeft u die tas uit de kluis weggenomen. Bij huiszoeking zijn bij u een videoband en een bankpasje aangetroffen. Waarom deed u dat?
Arwen: Ik was daar, ze kwam uit de douche, ze snauwde iets, ik werd boos, het was een wraakactie. Het was stom van me. Ik was boos.
Rechter: Was u nog van plan dat identiteitsbewijs en die bankpas te gebruiken?
Arwen: Daar heb ik niet over nagedacht.
Rechter: Meneer Van I. wil zijn 3000 euro terug en hij wil contact met u, elke veertien dagen.
De rechter neemt de psychische rapporten door. Arwen komt uit een gezin met een broer en een jongere zus, als kind is ze ‘motorisch onrustig’: ze slaapwandelt veel. In de zomer van 1992 zou ze tijdens een verblijf op een camping zijn verkracht door twee mannen, maar dat heeft ze aan niemand verteld, dat gebeurt pas op haar achttiende als ze in therapie is. Volgens de psychiater is niet vast te stellen of het verhaal klopt. Wel zou haar gedrag sinds die tijd – haar veertiende – zijn veranderd: ze voelde zich vaak somber en down en was vaak ziek.
Vanaf haar veertiende vluchtte ze in een fantasiewereld met sterke krachtige vrouwenfiguren, veel gevechten, een woeste ruige wereld. Ze deed mavo, havo, vwo en pabo probeerde ze maar werd niet afgemaakt. Vanaf 2000 werkte ze in de prostitutie, vanaf 1999 was ze in therapie. Daarbij kwamen de herinneringen aan het seksueel misbruik steeds naar boven. Ze kreeg boulimia en volgde verschillende therapieën, die ondermeer gericht waren op het losmakingsproces met haar moeder.
In 2004 werd ze in het Radboud-ziekenhuis behandeld voor post traumatische stress stoornis. In 2004 is ze naar Australië en Nieuw-Zeeland geweest. Ze was gestopt met de prostitutie, daar had ze een aversie tegen gekregen, ze voelde zich in toenemende mate vies. In 2007 had ze veel last van nachtmerries en hallucinaties en voelde ze zich mislukt: achter in de twintig, niks opgebouwd, geen relatie, geen baan, geen werk en geen kinderen. Volgens haar familie was ze ‘zorgzaam, gevoelig en lief’. Ze had een fascinatie met macht, geweld en criminaliteit. Het motief was meer financieel dan seksueel en ze had haar woede afgereageerd op slachtoffer. Ze had fantasie en werkelijkheid door elkaar gehaald.
Officier van justitie mr. A. van Veen eist negen jaar en tbs.