Header image  
logo2
logo3
 
 

Epe, het proces: de tbs-broers

pauw&witteman

In januari 1994 speelt in Zutphen het proces in de zaak Jolanda van B. In hoofdstuk zes en zeven worden de broers Bert en Rob van Zalk door de rechter verhoord. Aanleiding voor het plaatsen is een opmerking van professor Wagenaar in het televisieprogramma Pauw & Witteman, op donderdag 20 maart 2008: de broers zitten nog steeds in de tbs.

bert

HOOFDSTUK ZES

DE TWEEDE OCHTEND: BERT

Bert van Zalk, geboren op 24 december 1964 in Epe. Bert en zijn broer Rob trokken samen op met 'huisvriend' Ad Hermans. Ze werden aanvankelijk als getuigen genoemd, maar met name Rob legde onverwacht zoveel belastende verklaringen af, ook over zichzelf, dat ze als verdachten werden aangehouden. Behalve betrokkenheid bij dezelfde feiten als waar Hermans van wordt verdacht, zou Bert ook de kinderen van Jolanda en Evelien hebben misbruikt en de dochter van Ad, Cynthia Hermans. De kinderen van Jolanda, Petra en Dino, waren ten tijde van het vergaande seksueel misbruik respectievelijk twee en drie jaar oud. Cynthia Hermans was twaalf jaar; bij haar bleef het bij ontuchtige handelingen.

Bert is een stevige, slanke, vrij lange man. Hij ziet er niet onaardig uit.

Rechter: We gaan de zaak behandelen. Op de vragen die u gesteld worden, hoeft u geen antwoord te geven, u mag zwijgen als u dat wilt, maar het is wel van belang dat u goed oplet.

Bert: Ik weet niet of ik het goed kan verstaan, ik ben aan één kant doof.

Rechter: Ik zal harder praten. Als u 't niet kunt verstaan, moet u 't zeggen.

De Officier van Justitie geeft een korte samenvatting van de dagvaarding, met als toevoeging dat Jolanda ook is vastgehouden, geschopt of geslagen en als nieuw feit ontucht met het dochtertje van Evelien. De Officier wil twee punten buiten deze rechtszaak houden: de ontucht die Bert heeft gepleegd met Cynthia Hermans, de minderjarige dochter van Ad, en punt 5: dat hij van 1985 tot 1990 heeft deelgenomen aan een organisatie met o.m. Arie en Dinie, Wouter, Ad Hermans en zijn broer Rob, met als oogmerk het plegen van misdrijven, 'namelijk het verkrachten van Jolanda van Bergen en/of andere vrouwen of meisjes.' Op die punten is het onderzoek nog niet afgerond. Deze gedeelten moeten later afzonderlijk worden behandeld. De advocaat van Bert, mr. P.P. Verdoorn, is het daar niet mee eens. Hij vindt dat het nu allemaal behandeld moet worden en komt met een 300 pagina's tellend dossier op de proppen, zijnde de uitgetypte verslagen van de verhoren van Bert. Deze verslagen, gemaakt aan de hand van bandopnamen, tonen zijns inziens aan dat Bert zeer beïnvloedbaar is. De rechter: 'Het is wel een beetje veel, om dat nu nog door te lezen. Ik kan snel lezen, maar dit...' Advocaat Verdoorn: 'Het verbaast mij dat dit niet bij de stukken zat.' De Officier van Justitie vindt het 'eerder eigenaardig om stukken te voegen bij een zaak die nog niet is afgerond.' Niettemin moet de zitting worden geschorst, de rechters trekken zich terug. Na twintig minuten zijn ze eruit: de betreffende punten zullen later worden behandeld.

Rechter: (tegen Bert) Begrijpt u wat er gaande is?

Bert: Niet helemaal precies.

Rechter: (legt het uit)

Bert: Ik kan één ding zeggen: de verklaringen die ik heb afgegeven, dat heb ik gedaan onder druk. Ik heb niet de tijd gehad om de wettelijke waarheid op tafel te leggen. De politie zei dat mijn verklaringen er toch al lagen, wat die anderen hadden verklaard, en dat ik het daarom ook maar zo moest verklaren. En ik heb het gedaan omdat ik 100 procent zeker was dat ik met deze hele zaak niets te doen heb.

Rechter: Is u duidelijk, meneer Van Zalk, wat de verwijten zijn?

Bert: Niet precies.

Rechter: Dat u hebt deelgenomen aan seksfeesten, groepsseks, waarbij Jolanda betrokken was, tegen haar wil, en waarbij geweld is gebruikt.

Bert: Naar mijn zeggen ben ik daar niet bijgeweest en dat zal ik ook héél goed volhouden!

Rechter: Kwam u wel eens in Elburg bij Jolanda?

Bert: Ja, één keer. Met Ad en Sofie, en Rob.

Rechter: Wat ging u daar dan doen?

Bert: Kennismaken. Later ben ik er nooit en nooit meer geweest.

Rechter: Waarom moest u daar kennismaken?

Bert: We gingen een eindje rijden, hoe 't precies is gegaan weet ik niet meer.

Rechter: Hoe laat was het?

Bert: Dat weet ik niet precies meer.

Rechter: Wat hebt u daar gedaan?

Bert: Gezellig koffie gedronken en gepraat. Ze hadden twee kinderen, Dino en Petra, en een herdershond.

Rechter: Geen derde kind?

Bert: Dat weet ik niet meer, daar heb ik niet op gelet.

Rechter: En daarna?

Bert: Zijn we weggegaan. Ik vraag me of hoe ze er in godsnaam bij komt, waarom ze mij erbij heeft gelapt.

Coverjolandaweb_2

Rechter: Wie waren er nog meer?

Bert: Jolanda en Wouter. Wouter speelde in een band.

Rechter: Wat bedoelt u daarmee?

Bert: Dat zei hij.

Rechter: Was dit de enige keer dat u daar was?

Bert: Ja. Daarna heb ik haar nooit en nooit meer gezien.

Rechter: Hoe kan het dan dat u bij de politie heeft verklaard dat u wel vaker naar Elburg bent geweest?

Bert: Ze wisten het toch al. Dat werd mij meerdere malen gezegd. Ik heb direct de eerste keer ook gezegd dat ik er maar één keer was geweest. Maar wat ik verklaarde, dat maakte hen niet uit. Ik moest en zou vertellen. Ik werd toch niet geloofd.

Rechter: Toen bent u maar wat gaan verzinnen.

Bert: Ja, ik heb ze van alles verteld.

Rechter: "Jolanda en Wouter waren er, Ad en Sofie, Rob en ik," lees ik hier.

Jolandawagenaar1

 

Bert: Dat is wettelijk niet zo. Ik heb alleen een oudere vrouw gezien en nog een iets minder oude vrouw en een man. Verder niemand. Ik dacht dat die oude vrouw de moeder van Evelien was.

Rechter: Omdat de politie zei: alles ligt toch al vast, bent u maar gaan verklaren.

Bert: Ze zeiden elke keer met een smoes: "Wij komen niet voor de zaak-Elburg, maar voor de familie Hermans." Ik vind: als je daar niet voor komt, dan moet je 't daar ook niet over hebben. Dat van Elburg, daar weet ik niks van, alleen van die ene dag dat ik er geweest ben. Toen is er wettelijk op seksgebied niks gebeurd.

Rechter: Het blijft toch curieus wat u verklaart. Dat u in Epe bij Evelien en Rieks bent geweest, dat er groepsseks is geweest en dat Petra in die periode, in Epe, toekeek terwijl er groepsseks werd gedaan. Petra was nog niet eens geboren, Jolanda en Wouter waren toen net verloofd!

Bert: Zo werd het mij onder de neus gewreven.

Rechter: U weet wat Rob heeft verklaard over seksfuiven.

Bert: Ik zou niet eens weten hoe zo'n seksfuif eruitzag die dag.

Rechter: Hebt u er wel eens over nagedacht?

Bert: Ik denk er constant aan. Ik heb met die hele zaak niks te maken.

Rechter: Jolanda praat over seksfuiven, dat Wouter, Jan H., vader en moeder eraan meededen, en Bert en André van Zalk.

Bert: Wat mijn broertje doet, moet hij weten. Mag ik u wat vragen? Over welke periode gaat het?

Rechter: 1988 tot 1990.

Bert: Dan kan het sowieso al niet. Toen werkte ik ergens anders, was ik bij een vriend in huis. Toen ben ik met andere jongens elke avond wezen stappen, geen ene avond thuisgeweest. Ik woon nou al tweeëneenhalf jaar in Apeldoorn, ik moest van de politie binnen veertien dagen het huis uit, vanwege mijn drankprobleem, en ik ben twee jaar bij die man in huis geweest, daar lag het ook al niet goed...

Rechter: U zegt: het kán niet gebeurd zijn.

Bert: Zeker weten. Daar blijf ik bij.

Rechter: Jolanda zegt: u wilde alleen met vrouwen, niet met mannen.

Bert: Dat heb ze dan mooi mis, want ik heb helemaal niet meegedaan.

Rechter: Is uw moeder wel eens in Elburg geweest?

Bert: Hoe moet ik dat in godsnaam weten, als ik al zo lang het huis uit was!

Rechter2: Dat kennismaken met Jolanda, van wie ging dat uit?

Bert: Weet ik niet precies.

Rechter2: Waar woonde u toen?

Bert: In Vaassen.

Rechter2: Het idee kwam op dat ú moest kennismaken met Jolanda. Van wie kwam dat idee?

Bert: Ik moest sowieso kennismaken, omdat die anderen er al eerder waren geweest. Wij reden wat en eentje kwam op het idee daarheen te gaan. Toen is er gezegd: "Dat kunnen we wel doen."

Rechter2: Was Rob daar toen al eens geweest?

Bert: Daar werd niet over gepraat bij ons thuis. Er werd nooit over een of ander ding gepraat, omdat het nooit was gebeurd.

Rechter3: Weet u nog wat u tegen de rechter-commissaris heeft gezegd?

Bert: De politie zei: "We hebben alles toch al op papier staan." Ik kreeg niet eens de tijd om mijn eigen verhaal te vertellen.

Rechter3: Tegen de rechter-commissaris hebt u gezegd dat u drie keer in Elburg bent geweest. Eén keer gewoon, één keer met groepsseks en één keer met groepsseks en partnerruil.

Bert: Ik ben van huis uit ook geschopt en geslagen, ik vind dat niemand dat hoeft te weten.

Rechter3: Ik heb het er nu over wat u bij de rechter-commissaris wél hebt gezegd.

Bert: Dat heb ik gezegd omdat ik bang was.

Rechter: Waarvoor?

Bert: Dat de herinneringen aan thuis weer boven zouden komen. Maar wat ik heb gezegd, dat is in werkelijkheid nooit gebeurd.

Rechter3: Waarom verstrekte u daar dan telkens gedetailleerde verklaringen over?

Bert: Omdat de politie dat zei.

Rechter3: En bij de rechter-commissaris?

Bert: Omdat ik bang was.

Rechter: U zat op een avond bij Ad en Sofie Hermans, uw buren, en toen zei er iemand: "Die Jolanda kun je zo pakken."

Bert: Nooit van gehoord.

Rechter: U hebt verteld over Elburg, groepsseks, en dat Evelien daar bij zou zijn geweest.

Bert: Ik heb er nooit wat mee te maken gehad. Ik kreeg de kans niet eens om zelf wat te zeggen. Ik werd toch niet geloofd. Als ik mijn verhaal een redelijk eind had kwijtgekund, dan had ik alles verteld.

Officier van Justitie: U heeft met de psychiater gesproken. Tegen hem bent u eerlijk geweest.

Bert: Ja.

Officier van Justitie: Het was een goed gesprek.

Bert: Een redelijk gesprek.

Officier van Justitie: Tegen de psychiater hebt u gezegd dat u meermalen in Elburg bent geweest.

Bert: Dat heb ik verkeerd gezegd. Ik werd van het kastje naar de muur gestuurd. Dan zat ik dáár op het politiebureau en dan weer dáár... Als de mensen die ik echt hard nodig had er toen geweest waren, dan had ik een boekje open kunnen doen...

Officier van Justitie: (onderbreekt hem) Hoe vaak bent u in Elburg geweest?

Bert: Eén keer.

Officier van Justitie: Waarom hebt u dat dan verkeerd tegen de psychiater gezegd?

Bert: Omdat ik bang was.

Rechter2: "Ik heb nooit wat met die persoon gedaan. Alles wat ik bij de politie heb gezegd, is gelogen," zegt u. Dat stukje waarbij u in de deuropening staat toe te kijken bij de groepsseks...

Bert: Is ook gelogen, sowieso.

Rechter: Het tweede verwijt is dat u gesekst hebt met Petra en Dino, kinderen van Jolanda.

Bert: Is ook nooit gebeurd.

Rechter: En met Alissa, het dochtertje van Evelien.

Bert: Ook nooit gebeurd. Ik heb die kinderen met geen ene vinger aangeraakt, nooit of te nimmer. Maar die verklaring lag er toch al. Anderen zullen het wel gedaan hebben.

Rechter: Rob bevestigt die verklaringen van u.

Bert: Dat moet Rob weten. Ik heb die jongen wel meer geholpen, ik vind het heel smerig dat hij mij hierbij lapt.

Rechter: U suggereerde dat anderen wel wat gedaan zouden hebben.

Bert: Ik hou vol dat ik hier niets mee te maken heb. Ik bedoelde: dat ze mij genoemd hebben.

Rechter: Waarom zei u dat dan, van die anderen?

Bert: Dat is gewoon een gok die ik doe. Ik blijf bij mijn standpunt: ik heb er niks te maken, met die hele zaak niet.

Rechter: Wat betreft die ontucht met Petra: er zijn verklaringen dat de Hermansen regelmatig in Elburg kwamen. U zegt: "Ik was er maar één keer."

Bert: Ik ben er één keer geweest.

Rechter: Rob zegt dat er inderdaad door u en hem gesekst is.

Bert: Dat heeft hij dan heel mooi mis.

Rechter: Waarom zegt Rob dat dan? U bent zijn broer, u kent hem.

Bert: Ik kan sowieso bewijzen dat ik er niet bij ben geweest.

Rechter: Dat is geen antwoord op mijn vraag.

Bert: Misschien was hij bang.

Rechter: Voor wie?

Bert: Voor mij?

Rechter: Hij was bang voor u en dan gaat hij allerlei belastende verklaringen over u afleggen?

Bert: Dat weet ik niet. Wat hij doet, moet hij weten. Ik kreeg pas ook nog de schuld dat ik mijn broer André erbij gelapt heb. Ik belde naar huis en kreeg te horen dat ik er nog last mee zou krijgen, dat ik André erbij had gelapt. Ik zei met een zwerende vinger dat ik hem er niet bijgelapt heb.

Rechter: Het is allemaal verzonnen.

Bert: Ik heb met de hele zaak niets te maken.

Rechter: Het is merkwaardig dat u tegen de politie hebt gezegd dat u thuis een zelfgebouwde disco heeft gehad...

Bert: Heb ik gehad, ja.

Rechter: En dat u daar met meisjes uit de buurt ontucht heeft gepleegd.

Bert: Is nooit gebeurd.

Rechter: U gaf ze snoep en limonade, zodat ze hun mond zouden houden.

Bert: Snoep en limonade, dat kregen ze gewoon.

Rechter: Dus dat hebt u allemaal ook verzonnen.

Bert: Sowieso. Is nooit wat gebeurd.

Rechter: Waarom heeft u dat dan verteld, niemand had er naar gevraagd.

Bert: De politie wist het ook al.

Rechter: Hoe wisten ze dat dan?

Bert: Dat moet je niet aan mij vragen.

Rechter: In juli heeft u bij de rechter-commissaris ook iets verklaard over Petra.

Bert: Is nooit gebeurd.

Rechter: Met Dino zeker ook niet?

Bert: Nooit gebeurd.

Rechter: Anaal?

Bert: (zwijgt)

Rechter: Alissa?(dochtertje van Evelien)

Bert: Heb ik nooit te pakken gehad, sowieso niet.

Rechter: Hoe vaak kwam u bij Evelien?

Bert: Ik kende haar man, daar had ik mee samengewerkt.

Rechter: En uw moeder hielp bij Evelien in de huishouding. U en Rob kwamen daar ook wel. Soms moest er opgepast worden. U bent toen met Alissa op de slaapkamer geweest.

Bert: Ik ben daar nooit boven geweest.

(Jolanda huilt)

Rechter2: Wanneer is het omslagpunt gekomen, wanneer bent u de waarheid gaan vertellen? Wat was de aanleiding?

Bert: Ik had al een paar keer duidelijk willen maken dat ik er niks mee te maken had.

Rechter2: Tegen wie hebt u dat voor 't eerst gezegd?

Bert: Tegen de advocaat.

Officier van Justitie: Voelde u zich bij de psychiater ook onder druk?

Bert: Nee, dat was een heel normaal gesprek.

Officier van Justitie: Daar hebt u wel gezegd dat er met die kinderen ook wat gebeurd was.

Bert: Dat heb ik ook gelogen.

Rechter: U bent in 1987 met justitie in aanraking geweest in verband met het medeplegen van zware mishandeling.

Bert: Ik had met twee anderen de remlichten doorgesneden. Maar daar heb ik mijn straf voor gehad, moet ik daar nu weer over beginnen?

Rechter: De psychiater zegt: "Van Zalk geeft toe dat hij een keer of drie in Elburg is geweest. Hij was toen al uit huis. De tweede keer in Elburg was hij getuige van groepsseks. Alle volwassenen deden het en waren naakt, zelf hield ik de kleren aan. Seks met anderen erbij, daar voelde ik niks voor."

Bert: Dat is ook gelogen.

Rechter: Dat begrijp ik. U bent op de lagere school een paar keer blijven zitten, vanaf uw twaalfde jaar ging u met uw vader mee met het bouwen van benzinestations. U ging ook al vroeg met uw vader het café in, u was toen een jaar of dertien. Uw vader is overleden. Thuis waren er veel ruzies. Omdat u zo dronk en er geen al te beste vrienden op nahield. De reden voor het alcoholgebruik was dat u vond dat uw broer Jos werd voorgetrokken. Op een gegeven moment bent u het huis uitgegaan.

Bert: Er was weer wat geweest, ik moest naar het politiebureau en toen lieten ze me in de stromende regen van het bureau naar huis lopen. En ik moest binnen veertien dagen het huis uit, zei de politie.

Rechter: U bent toen in Apeldoorn terechtgekomen, bij een vriend, een oudere man, die ook dronk, en dan dronk u vrolijk mee. Met hem had u ook een seksuele relatie.

Bert: Niet echt seksueel, dat we 't elke dag deden. Ik kon ook niet goed met de vriend van mijn moeder.

Rechter: Vriendjes van u en uw broer werden soms ook vriendjes van uw moeder.

Bert: Daar hebben ze mij nooit iets van verteld.

Rechter: Uzelf en Rob deden het ook wel eens bij elkaar hè?

Bert: Ja. Binnenshuis.

Rechter: Aftrekken en zo. Alletwee tegelijk?

Bert: Om en om.

Rechter: De relatie met uw moeder is min of meer hersteld na uw verblijf in een pleeggezin. U werkt nu bij een glasinzamelbedrijf. De psychiater zegt: Van Zalk is door de puinhoop in zijn jeugd, het alcoholgebruik op zijn twaalfde, een jongen die in zijn kinderjaren is blijven steken, hij fungeert op het niveau van kinderen.

Bert: Ik probeer mijn best te doen.

Rechter: U bent bang voor ouderen, zegt de psychiater, vandaar die pedofilie. Het kan zijn dat het in de toekomst weer gebeurt.

Bert: Sowieso niet.

Rechter: De kans op herhaling is groot, het advies is dan ook om een behandeling te volgen.

Bert: Daar heb ik zelf ook om gevraagd.

Rechter2: Tussen u en uw broer...

Bert: Ik trok hem wel af en hij mij, maar we hebben nooit, geen van beide, de lul in het kontgat gehad.

Rechter2: Er zijn ook dingen die wél waar zijn.

Bert: Dit is wel waar.

Aan het eind van het verhoor wil Bert graag weten of hij de volgende dag ook moet komen, als professor Wagenaar als getuige-deskundige wordt gehoord. De rechter: 'Het mag wel, het hoeft niet.' Na wat heen en weer gepraat of hij nu wel of niet zal komen, besluit Bert om dan toch maar niet te komen. 'Maar kunt u mij dan wel het bericht over de fax toesturen?'

HOOFDSTUK ZEVEN

DE TWEEDE MIDDAG: ROB VAN ZALK

Het verhoor van Rob van Zalk begint 's middags tumultueus. Als de rechter net wil beginnen, probeert een 15-jarige jongen over het hekje van de publieke tribune te klimmen, duidelijk met de bedoeling de verdachte aan te vallen. Een vrouw roept 'Raymond!' en met hulp van een parketwacht wordt de jongen afgevoerd. Jolanda, die vlak voor ons zit, kijkt achterom en zegt met een stem waarin een tomeloze woede doorklinkt: 'Ik kan het me goed voorstellen!' De betreffende jongen had kennelijk al een hele tijd op dit moment zitten wachten, hij liep al anderhalve dag met een broeierige blik in de ogen door de gangen van het gerechtsgebouw. Tijdens het verhoor van Rob wordt duidelijk wie 'Raymond' is. Alle aanwezigen zijn onder de indruk van deze uitbarsting van emotie en het is dan ook even doodstil voordat de rechter opnieuw begint. Het verhoor van Rob zou het meest emotionele zijn tot dan toe. Vooral Jolanda heeft het zwaar te verduren: de glasharde ontkenningen worden haar dit keer teveel. Aan het eind van het verhoor barst ze uit in een woedende huilbui en wordt ze, door de twee hulpverleners die haar begeleiden, snikkend afgevoerd.

Rob wordt van dezelfde misdrijven verdacht als zijn broer Bert, alleen niet van de ontucht met Cynthia Hermans.

Rob heeft ongeveer hetzelfde postuur als zijn broer Bert, maar is iets smaller. Hij is slordiger gekleed, in een veel te grote spijkerbroek en een jack. De Officier van Justitie verwijt hem verkrachting van Jolanda, moord op een baby van Jolanda of op een ongeboren vrucht en het wegwerken daarvan; ontucht met Petra en Dino(kinderen van Jolanda) en ontucht met Alissa, de oudste dochter van Evelien. En ze geeft wederom aan dat ze moord en doodslag niet bewezen acht. Jolanda's laatste hoop dat er tenminste nog één verdachte wel voor moord of doodslag vervolgd zou worden, wordt hiermee de grond in geboord en ze huilt meteen.

Rechter: Meneer Van Zalk, u bent destijds door de politie aangehouden als getuige. Maar toen u op het bureau aan het praten was, bleek dat u niet alleen als getuige, maar ook als verdachte kon worden gehoord. De politie heeft u voorgehouden dat u niets hoefde te zeggen, als verdachte, maar u bent toch doorgegaan met verklaren. U hebt alles toegegeven.

Rob: Dat klopt, maar moord, daar weet ik niks van. Bij dat bos, wat ik op televisie heb gezien, daar ben ik nooit geweest.

Rechter: Dat is het enige wat onjuist is?

Rob: Ik ben wel in Elburg geweest met denneboompjes ophalen.

Rechter: Wat moesten ze daarmee?

Rob: Die zouden bij Hermans of bij Wouter worden neergepoot. Bij Wouter. We hebben ze bij Wouter afgeleverd, hebben daar wat gedronken en toen gingen we samen weer op huis aan.

Rechter: U hebt gezegd dat u met Hermans in zijn witte Opel een vuilniszak uit het huis van Jolanda hebt meegenomen en begraven, ergens in de bossen bij Elburg.

Rob: Dat trek ik ook weer in.

Rechter: Waarom hebt u dat dan gezegd? Hoe kun je dat nu verklaren?

Rob: Dat is op politie-aanwijzing geweest, ze weten dat je daarbij schuldig bent.

Rechter: Zeiden ze nog meer?

Rob: Ik heb eerst gezegd: "Dat ontken ik." Maar toen werden ze kwaad.

Rechter: Wat hebben ze nog meer verteld?

Rob: Van die verkrachting van Jolanda, dat ik met haar naar bed ben geweest. En dat ik wat met de kinderen te maken heb gehad.

Rechter: Dus er klopt niets van?

Rob: Nee, er klopt niks meer van. Alleen toen ik thuis was, toen heb ik wat met een jongen gehad.

Rechter: U zegt: "Ik heb aanvankelijk wel wat gezegd." Had de politie u toen alles al verteld?

Rob: Ik kreeg iedere keer weer een aanwijzing van hen. "Is het zo gegaan, is het zo gegaan?" Toen heb ik ja gezegd.

Rechter: In de twee uur dat u als getuige bent verhoord, heeft de politie alles verteld wat ze wisten?

Rob: Ja.

Rechter: Aanvankelijk hebt u gezegd: "Ik ben wel betrokken geweest bij het begraven van iets van Jolanda." Later hebt u gezegd: "Ik was zelf degene die het begraven heeft."

Rob: Op hun aanwijzingen. Ze zeiden: "We kunnen precies aan je zien wat er in je omgaat, we weten alles."

Rechter: Dus u heeft alleen maar nagezegd wat ze u vertelden. Of hebt u er nog iets bij verzonnen?

Rob: Ik heb er wat bij verzonnen. Dat van die zaag, dat die erbij was, en die hamer.

Rechter: Waarom?

Rob: Mijn kop was helemaal gek geworden. Ik moest iets tekenen.

(Jolanda huilt hevig)

Rechter: Bij de politie en bij de rechter-commissaris hebt u vrijwel alles gefantaseerd?

Rob: Ja.

Rechter: Kwam u wel vaker met Hermans in Elburg?

Rob: Ik ben er verder nooit geweest, alleen met die denneboompjes.

Rechter: U bent er nooit binnen geweest?

Rob: Alleen koffie gedronken.

Rechter: Beneden?

Rob: Ja.

Rechter: Maar u hebt wel de slaapkamer gezien.

Rob: Die hebben ze me een andere keer laten zien.

Rechter: Dus u bent er wel vaker geweest. Hoe vaak?

Rob: Twee of drie keer.

Rechter: Hermans zegt: wel vaker.

Rob: Twee of drie keer.

Rechter: Waren er nog anderen bij?

Rob: Bert is een keer meegegaan.

Rechter: Hoe vaak?

Rob: Dat weet ik niet zeker. Twee keer?

Rechter: Het waren allemaal vriendschappelijke bezoeken. U dronk koffie. Tijdens een van de bezoeken hebben ze u het huis laten zien.

Rob: Ja.

Rechter: Er is een verhaal dat u op verzoek van Wouter met Jolanda hebt gevreeën, omdat hij het zo druk met zijn werk had.

Rob: Dat is verzonnen.

Rechter: Waarom moet u zoveel verzinnen!

Rob: Omdat ik niet als een lafaard, als een buitenbeentje beschouwd wilde worden.

Rechter: U dacht: anders word ik niet voor vol aangezien.

Rob: Ja.

Rechter: De gordijnen die Hermans bracht, was u daarbij?

Rob: Nee.

Rechter: Die stroomstoten?

Rob: Daar heb ik wel een verklaring over afgelegd, maar die heb ik verzonnen. Ik wist niet wat ik wel en niet moest zeggen.

Rechter: U hebt uw verklaringen bij de rechter-commissaris herhaald. Dat is toch merkwaardig.

Rob: Ik weet het pertinent zeker, ik heb het allemaal verzonnen.

Rechter: Merkwaardig.

Officier van Justitie: U bent in het Pieter Baan Centrum geweest. Hebt u daar de waarheid verteld?

Rob: Tot op de babymoord heb ik de waarheid verteld.

Officier van Justitie: En de rest?

Rob: Dat ging over vroeger.

Officier van Justitie: Seks met die kinderen, klopt dát dan?

Rob: Nee, klopt ook niet.

Officier van Justitie: Waarom hebt u 't dan verteld?

Rob: Ik had de angst voor mezelf.

Officier van Justitie: Angst?

Rob: Ik ben niet iemand die een twee drie vlot aan 't praten gaat om het van me af te zetten.

Officier van Justitie: En dan verzint u verhalen.

Rechter: U bent eerder met de politie in aanraking geweest, voor ontucht met een jongetje van acht jaar.

Rob: Dat klopt.

Rechter: We hebben de naam net gehoord, aan het begin van de zitting.

Rob: Ja, Raymond S.

Rechter: Het rapport van het Pieter Baan Centrum zegt: u bent opgegroeid met drie broers. U had best een aardige vader, maar hij dronk teveel. Hij is overleden. Over uw moeder praat u niet al te netjes, niet op de manier waarop een zoon zijn liefhebbende moeder beschrijft. Het was vies, het was een puinhoop. Ze liet de kinderen alleen om op stap te gaan en een aantal keren hebt u haar betrapt met vriendjes van u of uw broer, dat ze op de bank lagen. Ze is met een van hen nog bijna verloofd geweest.

Rob: Ja, met die Turkse jongen.

Rechter: U bent normloos opgegroeid, er is sprake van gigantische verwaarlozing. André is op zijn zeventiende uit huis gegaan en heeft nog jarenlang elk jaar uw moeder een rouwkaart gestuurd. Jos is de enige die zich onttrokken heeft aan het milieu. U was een nakomertje, niet gewenst door pa.

Rob: Ja.

Rechter: Er is sprake van seksueel misbruik. U hebt grenzeloze seksuele verlangen, zonder dat u rekening kunt houden met de partner, het gaat uitsluitend om de bevrediging van uw eigen lusten. In het Pieter Baan Centrum is het opgevallen dat je Rob kunt maken en breken, dat hij ontzettend beïnvloedbaar is.

Rob: Ja.

Rechter: Geweldige problemen praat u zo van u af en dan is er niks meer aan de hand. Volgens het Pieter Baan Centrum hebt u zeer gedetailleerd en zonder enig schuldbesef over de delicten verteld. U weet wel dat je sommige dingen niet mag doen, maar er is geen enkele gewetensfunctie.

Rob: Ja.

Rechter: Bij het Pieter Baan Centrum hebben ze nog tegen u gezegd: "Je kunt beter maar niet meer vertellen, anders kun je behoorlijk in de problemen komen." U hebt toch verder verteld.

Rob: Dat klopt.

Rechter: Een laatste punt: op tienjarige leeftijd hebt u een seksuele ervaring met uw moeder gehad. Na een nachtmerrie was u bij moeder in bed gedoken, dat heeft bijna geleid tot een vrijpartij. Er werd niet gesproken. Tot uw moeder u op een gegeven moment van zich afduwde. Het Pieter Baan Centrum zegt dat u een kinderlijk niveau heeft en veel te beïnvloedbaar bent. "Als hij in verkeerde handen valt, kunnen we nog wat beleven." Hun conclusie is, dat als datgene waarvan u wordt verdacht bewezen wordt, dat u dan tbs zou moeten hebben.

Rob: Dat wou ik zelf ook.

Rechter: Waarom dan?

Rob: Ik wil leren met mezelf om te gaan. Dat kinderlijk gedrag wil ik kwijtraken. Ik ben wel eens met jongens van mijn leeftijd omgegaan, maar die vernielen de boel.

Rechter: Die pedofiele contacten, die seksuele dingen met broers...

Rob: Het was of het heel gewoon was. De ene keer kon ik er wel mee leven, de andere keer niet. Als ik lag te slapen en ik kreeg zin dan trok ik mezelf af en als ik geen zin had, dan deed ik niks.

Rechter: U rommelde maar wat aan.

Rob: Ja.

Rechter2: Hebt u, voordat u in het Pieter Baan Centrum kwam, wel eens tegen iemand gezegd dat u 't allemaal had verzonnen?

Rob: Nee.

Rechter2: In het Pieter Baan Centrum ook niet?

Rob: Nee.

Rechter2: Wanneer dan wel, kunt u dat nagaan?

Rob: Ergens in december. Toen de advocaat op bezoek is geweest.

Er gaat een golf van verontwaardigd gemompel door de zaal, Jolanda stort in en wordt afgevoerd.

Rob vraagt nog: 'En dat andere onderzoek, die zaak van Alissa, hoe verloopt dat? Word ik daar nog voor aangehouden of kan dat hierbij in worden gegooid?'

De rechter: 'Dat is een zaak van de Officier, maar ik heb begrepen dat dat later wordt behandeld.'

In de wandelgang, als de zitting is gesloten, geeft Robs advocaat mr. Van Vliet toe dat er onderling overleg is geweest tussen de advocaten. 'Als ik zo de verhoren beluister hebt u kennelijk gezamenlijk afgesproken dat de verdachten moeten ontkennen,' zeg ik. 'Het is wat al te toevallig dat iedereen begint te ontkennen zodra de advocaat langs is geweest.' Mr. Van Vliet: 'Dat is zijn eigen initiatief geweest.' Advocaat Schuldink betoogt in een andere hoek dat zijn cliënt, Wouter S., van het begin af aan heeft ontkend. En collega-journalisten verbazen zich over het feit dat Rob van Zalk zich kennelijk zomaar een tbs heeft laten aanpraten, ongeveer de zwaarst denkbare straf die in Nederland te vergeven is.