
Op vrijdag 22 juni 2007 staat voor de rechtbank in Assen Henk van D.(46) uit Nieuw Buinen terecht, voor de moord op de twaalfjarige Suzanne Wisman uit Tweede Exloërmond. Dat gebeurde op dinsdag 12 december 2006. Ik bezocht de zitting om er voor Panorama een artikel over te maken, maar tijdens zo'n proces komt zoveel aan de orde dat niet in het beperkt aantal pagina's van een blad past dat het mij geen bezwaar lijkt enkele fragmenten van het verhoor hier vast te publiceren.
Voorzitter van de rechtbank is mr. J.J. Schoemaker, de andere rechters zijn mr. J.A.A.M. van Veen ('rechter2') en mevrouw mr. M.C. Fuhler ('rechter3'). Officier van justitie is mr. J.L. van den Broek.
Rechter: Op 12 december 2006 komt er via 112 een melding binnen dat er op de Valtherdijk het levenloos lichaam van een jong meisje is gevonden, ernstig verminkt. Een getuige heeft een witte camper gezien en ziet het lichaam. Diezelfde avond komt het bericht dat er een meisje is vermist: Suzanne Wisman. Ze was om zes uur vanaf de manege in Musselkanaal naar huis gegaan, aanvankelijk was het idee dat ze was aangereden. Op 13 december wordt haar fiets gevonden en begint het onderzoek.
Op 15 december belt een man uit Nieuw Buinen dat een ooggetuige bij hem in de kamer zit. Het is Henk van D. Hij zegt dat de camper in Stadskanaal staat. Uit onderzoek blijkt dat er aan de voorbumper bloedresten zijn. Van D. wordt aangehouden. Het Nederlands Forensisch Instituut stelt vast dat het dna van Suzanne is. Een getuige vertelt dat Van D. op 16 december kleding heeft gedumpt in een container. Deze wordt onderzocht, er worden laarzen en kledingstukken gevonden van Suzanne en de onderbroek van Van D. Op 16 december wordt hij verhoord.
Hij zegt dat hij op 12 december met de camper op pad was en onder bedreiging met een pistool een meisje heeft opgepikt. Hij moest met haar dingen doen die hem niet aanstonden. Hij moest het meisje aan de borsten voelen, naar de bosjes lopen, hij moest haar pakken en met zijn penis haar vagina binnendringen. Daarna was het meisje door de man met de camper overreden. Op 27 december bekent hij dat hij Suzanne Wisman heeft gedood en dat hij het alleen heeft gedaan.
Laten we eens kijken wat u zich nog kunt herinneren. Die dag was de sfeer in uw huis niet goed. Hoe kwam dat?
Van D.: Dat kwam door mijn eigen gezin.
Rechter: Was er iets gebeurd?
Van D.: Niet dat ik weet.
Rechter: Carola (de tweede echtgenote van Van D.) had gezegd dat ze bij u weg wilde, dat ze uit huis ging. Hoe ging dat, kunt u daar iets over vertellen?
Van D.: Het was geen prettige sfeer. Ze was kwaad weggegaan naar haar werk, ze had een ruitje ingetrapt.
Rechter: U bleef achter. Wat dacht u, wat zei ze?
Van D.: Tussen de middag heeft ze ons zoontje van school gehaald.
Rechter: U bent de hele ochtend blijven wachten. Wat ging er in u om?
Van D.: Weet ik niet, ik heb kofie gedronken.
Rechter: U was toch ontdaan van de mededeling dat ze wegwilde?
Van D.: Ik ben heel veel dingen kwijt.
Rechter: Uw middellange termijn geheugen is slecht?
Van D.: Ja.
Rechter: Probeert u het wel, is er niets uitgekomen?
Van D.: Nee.
Rechter: Bent u de camper in gaan pakken?
Van D.: Nee.
Rechter: Waar stond de camper?
Van D.: Op de dam (de inrit. Van D. praat met een zwaar Drents accent, mompelt en is meestal nauwelijks te verstaan, de rechter herhaalt vaak wat hij zegt en legt hem bijna alles in de mond)
Rechter: U heeft kleren gepakt, u wilde weg tot de rust was weergekeerd. Waar wilde u heen? U nam ook een fiets mee. Naar het oosten van het land?
Van D.: Ik ben ’s avonds om vijf uur weggegaan. Ik kan het me niet herinneren.
Rechter: Nam u een slaapzak mee? En waarom de fiets?
Van D.: De slaapzak lag al in de camper. Ik wilde de fiets verkopen om geld te krijgen.
Rechter: U heeft Carola nog ontmoet, om half zes, met Stefan, er moesten kleren worden gepakt, Stefan moest voetballen.
Van D.: Toen is mijn woede ontstaan. Dat ze een time-out nam. Ze wilde even rust.
Rechter: Wat vond u daarvan?
Van D.: Niet leuk.
Rechter: U was bang dat ze wegging en niet terugkwam. Ze ging met Stefan naar het voetbalveld. U heeft thuis de gaskraan opengedraaid?
Van D.: Ik zag het niet meer zitten. Carola heeft de gaskraan weer dichtgedraaid.
Rechter: Was u daar ook boos over?
Van D.: Aan de ene kant wel.
Rechter: Pascal kwam thuis, hij heeft toch ook een gaskraan dichtgedraaid?
Van D.: Nee. Ik ben weggegaan.
Rechter: Carola was op de fiets, u met de camper.
Van D.: Ik wilde naar Carola, naar het voetbalveld, om met haar te praten. Ik heb daar een tijdje gestaan, toen zag ik Carola staan.
Rechter: Wat is er toen besproken?
Van D.: Ze heeft niet veel gezegd.
Rechter: U wel?
Van D.: Ik heb er geen antwoord op gehad.
Rechter: Hoe sprak ze u aan? Was het een redelijk gesprek?
Van D.: Dat weet ik niet meer.
Rechter: ‘Donder maar op, ik wil eerst rust’. Dat heeft u bij de politie verklaard.
Van D.: Dat zou kunnen.
Rechter: Dat ‘donder op’ vond u vreselijk. Dat was een teken dat u haar verloor. Wat dacht u toen, wat ging er toen in u om?
Van D.: (zwijgt)
Rechter: U bent weggereden. Richting Musselkanaal. Naar automatiek Arends. Waarom?
Van D.: Daar gingen wij wel vaker naar toe.
Rechter: Waarom? Er was ook sprake van dat u medicijnen had ingenomen.
Van D.: Voordat ik bij automatiek Arends kwam, in de camper.
Rechter: Waarom?
Van D.: Ik zag het niet meer zitten. Het waren medicijnen voor epilepsie en andere dingen.
Rechter: Veel?
Van D.: Best wel. Ik had ze meeegenomen omdat ik er vanaf wilde.
Rechter: U wilde een eind aan uw leven maken. Toch rijdt u naar een cafetaria om een kroket te nuttigen. U heeft een doodswens, waarom dan nog een kroket eten?
Van D.: Dat weet ik niet.
Rechter: Hoeveel medicijnen had u geslikt?
Van D.: Een stuk of dertig, veertig. Misschien wel meer.
Rechter: In de caravan lagen strips en doosjes, deels op naam van uw tweede echtgenote. Waren er altijd medicijnen in de camper?
Van D.: Voor een paar dagen misschien.
Rechter: U heeft uw laarzen aangetrokken op een zeker moment. Tussen het voetbalveld en de automatiek. Waarom?
Van D.: Dat weet ik niet. Op het voetbalveld had ik de schoenen nog aan.
Rechter: Hoe voelde u zich toen?
Van D.: Het duurde wel een tijdje voor ik opgeblazen werd. Of je opgezet werd. Rood en dik, raar in je hoofd.
Rechter: Hoe raar? Kunt u daar iets over vertellen?
Van D.: Anders dan wat je normaal bent.
Rechter: Kunt u een voorbeeld geven. Een reactie?
Van D.: Dat ik woedender werd. Kwaaier.
Rechter: Hoe uitte zich dat dan?
Van D.: Spiertrekkingen met de handen.
Rechter: Aanvallen? Maar u had nog wel kracht. Was u niet misselijk of slaperig?
Van D.: Nee.
Rechter: Misselijk niet, want dan eet je geen kroket. En die spiertrekkingen, kreeg u die in het cafetaria?
Van D.: Nee, daarna.
Rechter2: Wat voor andere pillen waren dat?
Van D.: Een strip ibuprofen, en wat wit-bruinigs, ik weet niet wat dat was.
Rechter2: Weet u niet waar die voor waren?
Van D.: Nee.
Rechter: U heeft verklaard dat u de laarzen heeft aangetrokken achter het cafetaria.
Van D.: Dat zou kunnen.
Rechter: Met laarzen aan kun je moeilijker rijden dan met schoenen. En één laars had een kapotte zool. Was u zo warrig in uw hoofd dat u niet meer wist wat u deed?
Van D.: Dat zou kunnen.
Rechter: U heeft het cafetaria verlaten. Waar wilde u toen heen?
Van D.: Richting... (onverstaanbaar)
Rechter: Ja, wat wilde u daar doen?
Van D.: Volgens mij... (zwijgt). Ik ben wat rondgereden.
Rechter: U weet niet met welk doel?
Van D.: Nee.
Rechter: Op een bepaald moment komt u Suzanne Wisman tegen. U geeft daar twee verklaringen voor. eerst zegt u dat u gedwongen bent allerlei dingen te doen, later dat u het alleen heeft gedaan. U rijdt in de Kerkstraat rond. Kunt u zich herinneren dat u het meisje achterop reed?
Van D.: Ja.
Rechter: Wat dacht u?
Van D.: Dat weet ik niet.
Rechter: U kunt zich wel herinneren dat u achter het meisje reed, in de Kerkstraat.
Van D.: In de Markstraat.
Rechter: Wat dacht u?
Van D.: Ja... Suzanne wou rechtuit.
Rechter: U bent de Kerkstraat in gereden. U bent haar voorbijgereden. Wat was uw bedoeling?
Van D.: Dat weet ik niet.
Rechter: Had u de bedoeling haar aan te spreken?
Van D.: Achteraf misschien wel.
Rechter: Had u dat van tevoren bedacht?
Van D.: Nee.
Rechter: U bent haar even kwijt. U rijdt de Kerkstraat in. U ziet haar niet, u stopt.
Van D.: Ik heb haar aangesproken.
Rechter: Stond ze stil?
Van D.: Ze kwam aanrijden.
Rechter: Waarom fietste ze niet door?
Van D.: Ik heb haar aangesproken.
Rechter: Dat is de grote vraag: waarom sprak u haar aan? Daar moet toch een verklaring voor zijn?
Van D.: Ik heb haar aangesproken. Dat is zeker.
Rechter: Hoe ging dat?
Van D.: Ik heb haar aangesproken, dat weet ik zeker, ik ben stukken...
Rechter: U heeft haar niet vastgepakt?
Van D.: Nee.
Rechter: Hoe sprak u haar aan? Wat was het onderwerp van het gesprek?
Van D.: Ik heb haar meegenomen in de auto.
Rechter: Dan zijn we al een stukje verder. U weet niet waarom u haar aangesproken heeft. ‘Ze zat ineens in de auto’. Zo gaat het natuurlijk niet. Haar moeder zegt: ze zou nooit zomaar bij iemand in de auto stappen. Ze fietste met een vriendinnetje terug, je laat je niet meenemen door een man die je niet kent. Waarom? Kunt u het zich echt niet herinneren? Of heeft u het verdrongen?
Van D.: Néé, néé, néé, écht niet.
Rechter: En de fiets?
Van D.: Die zat op de fietsdrager.
Rechter: Heeft u dat alleen gedaan?
Van D.: Ze heeft meegeholpen.
Rechter: Als u daarover nadenkt: waarom? Hoe ging dat?
Van D.: Zij heeft hem aan de ene kant opgepakt, ik aan de andere kant.
Rechter: Heeft u gezegd: ik breng je naar huis?
Van D.: Ik kan me niet herinneren hoe ik haar heb aangesproken.
Rechter: Het was miezerig weer, het regende, kunt u zich dat nog herinneren?
Van D.: Nee.
Rechter: Is dat niet vreemd?
Van D.: Misschien is het vreemd voor u. Wat ik weet zeg ik tegen u.
Rechter: ‘Ze zat zo in de auto’. Waar?
Van D.: Op de passagiersstoel.
Rechter: Had ze de gordel om?
Van D.: Ik dacht dat ze de gordel omgedaan heeft.
Rechter: Wist u waar u hen wilde?
Van D.: Ik ben wat heen en weer gereden.
Rechter: Waar ging het gesprek over? U zat toch niet zwijgend in de auto.
Van D.: Nee (zwijgt) We hebben wat gepraat, dat weet ik wel zeker. We zijn die straat op gereden, op een gegeven moment een weg langs het kanaal.
Rechter: Waarom daarlangs? Dat was niet de weg naar haar huis. Wist u waar ze woonde?
Van D.: Nee, ik kende het meisje niet.
Rechter: Heeft ze niet gezegd waar ze woonde? Heeft ze haar naam niet genoemd?
Van D.: Ze heeft wel de naam genoemd.
Rechter: Ze zegt niet waar ze woont, ze legt haar lot in uw handen, dat is niet echt begrijpelijk. ‘Leuk ritje, moeten maar kijken waar we terechtkomen?’ U zegt: ze zat op vrijwillige basis in de auto. Of gedwongen. Gedwongen? U verklaart: het is mij puur overkomen .
Van D.: Zo voelde ik dat wel.
Rechter: ‘Als ze niet was komen aanfietsen of als ze was doorgefietst, was he

Vervolg
Van D.: Daar had ik wel last van, het ging niet zo soepeltjes.
Rechter3: Ik lees dat u verkrampte, dat u er verlegen mee werd, niet meer wist hoe u ermee aan moest.
Van D.: Dat kan ik me zo niet voor de geest halen.
Rechter2: Ik snap het hele verhaal niet helemaal. U had pillen om een eind aan uw leven te maken en dan neemt u een meisje mee in de camper. Ik zou zeggen: rijd dan in de sloot, of tegen een boom aan, waarom neemt u dan een meisje van 12 jaar mee?
Van D.: Dat weet ik niet.
Rechter2: U weet alleen dat u pilletjes had.
De voorzitter neemt het gesprek weer over.
Rechter: In het rapport van het Pieter Baan Centrum (PBC) lees ik dat u haar heeft aangehouden 'omdat u warmte wilde hebben'. Op de vraag: ‘Zou u ook een oudere vrouw hebben kunnen aanspreken?’ zegt u: ‘Dat kan ook wel’. Maar een man of een jongen, dat kon niet. Ging het dan om een vrouw?
Van D.: Zoals het rapport zegt .
Rechter: U wil van het leven af, maar u heeft wel behoefte aan warmte van een onbekende. U beschrijft Suzanne als een leuk meisje, een slank meisje, kan het niet zijn dat u gewoon behoefte had aan seks?
Van D.: Nee.
Rechter: Wat verstaat u onder ‘warmte’?
Van D.: Aanhaligheid.
Rechter: In het rapport zegt u: ‘Misschien heb ik met een smoesje het meisje in de camper gekregen.’ Welk smoesje?
Van D.: Als het er staat, kan het dat ik dat heb gezegd.
Rechter: U bent rond gaan rijden. Naar de Valtherdijk. Heeft u er een verklaring voor waarom daar? Het ligt helemaal uit de route, was u daar wel eens vaker geweest?
Van D.: Nee.
Rechter: Waarom daar?
Van D.: Omdat ik daar contact wilde zoeken met het meisje.
Rechter: Kunt u dat uitleggen?
Van D.: Een beetje aanhaligheid.
Rechter: Heeft u dat onderweg bedacht: ik wil warmte, aanhaligheid?
Van D.: Misschien wel.
Rechter: Waarom naar de Valtherdijk?
Van D.: Ja, ik reed er over de Dreef naar toe. Waarom rij je daar naar toe.
Rechter: Uw eerste echtgenote zegt: ‘Henk had geen voorkeur voor plaatsen waar seks moest plaatsvinden, dat kon overal. Ik ben vaak met Henk op die plek aan de Valtherdijk geweest.
Van D.: Daar ben ik het volkomen niet mee eens.
Rechter: Ze herkende de plek meteen van de uitzending van SBS6.
Van D.: Daar ben ik het volkomen niet mee eens.
Rechter: Wanneer kwam u op de gedachte seks met haar te hebben?
Van D.: Misschien wel toen de camper stilstond.
Rechter: U bent eerst een doodlopend weggetje in gereden?
Van D.: Nee.
Rechter: Dat was toch de plek waar u haar bij de borsten heeft gehad?
Van D.: Nee. Dat was aan de kant van de weg. Op de dam.
Rechter: Ik dacht dat het een doodlopend weggetje was.
Van D.: Nee. (De rechter vergist zich een beetje: aan de Valtherdijk is een stuk asfalt dat je als parkeerplaats kunt gebruiken. Vandaar loopt er een zandweg het weiland in. Van D. had de camper eerst op de weg, later op die ‘dam’ gezet)
Rechter: Waarom bracht u de camper daar tot stilstand?
Van D.: Om contact met haar te zoeken. Eerst praten, later aanhaligheid. Dat is overgegaan op aan de borsten voelen.
Rechter: Waar had u het dan over?
Van D.: Dat het daarover gegaan is.
Rechter: Heeft u dat voorgesteld? Dat ze haar bloesje uit zou trekken?
Van D.: Dat reken ik wel.
Rechter: Heeft ze dat allemaal zelf gedaan?
Van D.: Ja.
Rechter: Op uw aandringen?
Van D.: Ja.
Rechter: U vroeg of ze dat wilde doen.
Van D.: Op een gegeven moment zei ze ja. (verontwaardigde geluiden in de zaal)
Rechter: Ze zat toen op de lange bank. Had u gevraagd: wil je op die lange bank gaan zitten? Hoe is dat gegaan? Wat zei ze toen u dat vroeg?
Van D.: Toen ging ze daar zitten.
Rechter: Bent u met haar meegelopen, hebt u haar bij de arm gepakt?
Van D.: Nee.
Rechter: Hebt u gezegd wat de bedoeling was?
Van D.: Ja.
Rechter: U vraagt haar vriendelijk om op de bank te gaan zitten.
Van D.: Op een gegeven moment zijn we samen naar achteren toe gegaan.
Rechter: U hebt gezegd: ‘Ga maar zitten, meid’?
Van D.: Ze is zelf naar achteren toe gelopen.
Rechter: Is ze gaan zitten?
Van D.: Ik heb bij haar borsten gezeten.
Rechter: Heeft ze niet gezegd: ‘Waarom moet dat, meneer?’
Van D.: Nee.
Rechter: Kunt u zich dat herinneren?
Van D.: Nee.
Rechter: Dat weggetje. U spreekt over een donker weggetje.
Van D.: Dónker. Niet doodlopend.
Rechter: Ik wil even een stapje terug, naar dat raar gevoel.
Van D.: Ik had een wild gevoel in mijn hoofd.
Rechter: Kunt u dat uitleggen?
Van D.: Een opspelend gevoel.
Rechter: Een wat?
Van D.: Ja, raar, dat je ineens warm was.
Het vervolg staat hier
|
Ibuprofen ipv ibuprovin is een tamelijk onschuldige pijnstiller ga je echt niet dood aan!
Geplaatst door: Johannes | 23 juni 2007 om 16:03