Header image  
logo2
logo3
 
 

De Puttense moordzaak

christel

Deze reportage heeft in januari 1995 (in een iets kortere versie) in Panorama gestaan. Omdat het toen nog om verdachten ging, werden niet de volledige namen (Herman Dubois en Wilco Viets) genoemd. Een aantal details is inmiddels achterhaald, maar dit geeft een vrij duidelijk beeld van de situatie toen. De twee werden pas na het uitzitten van hun straf, in 2002, vrijgesproken en kregen een schadevergoeding. Aanleiding voor het online zitten van deze reportage is het boekje van Nataschja van der Stelt, vriendin van Christel, in mei 2008

Op zondagmiddag 9 januari 1994, tussen kwart over vier en zes uur, wordt de 23-jarige stewardess Christel Ambrosius op gruwelijke wijze verkracht en vermoord in het huisje van haar oma in Putten. Twee mannen zijn ervoor veroordeeld: Herman D.(34) en zijn zwager Wilco V.(23). Maar behalve politie en justitie zijn er maar weinig mensen die geloven dat deze twee keurige Puttenaren de daders zijn: op en bij het slachtoffer zijn sporen aangetroffen van een onbekende: haren, sperma, een melktandje van een kind, afdrukken van voetstappen. 'Herman is geen vechter,' zegt zijn vrouw Anja(29), 'als iemand tien keer tegen hem zegt dat hij het wél heeft gedaan, zegt hij: okay.'

De zondagmiddagen van de familie S. uit Putten verlopen volgens een vast patroon: op bezoek bij oom Gerrit en tante Teunie. Anja en Evelien zijn pleegdochters van Gerrit en Teunie: hun echte vader is een broer van Gerrit. Anja is getrouwd met Herman D.; ze hebben twee zoontjes, van 7 en 10 jaar. Evelien is verloofd met Wilco V.. Een van de vaste bezoekers is ook Willem B. Hij huurt het tuinhuisje achter de woning van Gerrit S. Willem B. spoort niet helemaal. De labiele, sociaal gehandicapte Willem heeft twee zedendelicten op zijn naam staan, waaronder de verkrachting van een oudere vrouw. De vrouwen mogen hem niet erg. 'Hij kijkt je nooit aan,' zeggen ze, en ze zorgen ervoor dat ze nooit met hem alleen zijn. De mannen doen er niet moeilijk over. Herman heeft hem zelfs aan een baantje geholpen. In de loop van de middag gaan de vier mannen steevast met de oude groene Mercedes van Gerrit het bos in om de honden uit te laten. Bij de benzinepomp kopen ze een paar flesjes bier, die ze onderweg leegdrinken, en aan het eind van de middag keren ze terug.

Op zondagmiddag 9 januari, terwijl op televisie de Europese Kampioenschappen schaatsen worden uitgezonden, gaat stewardess Christel Ambrosius op de fiets naar oma. Oma is niet thuis, maar Christel gaat vast naar binnen: de sleutel van de achterdeur hangt in het schuurtje. Als oma tegen zes uur thuiskomt, krijgt ze de schrik van haar 80-jarige leven: kleindochter Christel ligt half ontkleed, doodgestoken en gewurgd in de woonkamer.

Het eerste raadselachtige detail is dat de achterdeur op slot was en dat de sleutel in het schuurtje hing, terwijl er geen sporen van inbraak zijn gevonden: de dader moet de sleutel hebben teruggehangen. Alleen bekenden wisten dat die sleutel daar hing.

putten huis

Er wordt een recherchebijstandsteam gevormd, dat wegens ruimtegebrek opereert vanuit het gemeentehuis in Putten. Sinds het drama van Putten, waarbij in de oorlog 600 mannen en jongens door de Duitsers zijn weggevoerd en waarvan slechts een enkeling terugkeerde, had het Veluwse dorp niet meer zo op z'n kop gestaan. Anja: 'Herman was 's maandagsmorgens naar de benzinepomp geweest. Eerst werd verteld dat het om een oudere vrouw ging. Iedereen praatte erover. Dat zoiets in Putten kon gebeuren. 's Middags hoorden we dat het om een jonger iemand ging, maar niemand van ons kende dat meisje.' Het huis van oma staat aan de Driewegenweg, aan de rand van het dorp, aan een van de uitvalswegen naar het bos. Iedereen die daar op de bewuste zondagmiddag in de buurt is gesignaleerd, is in principe verdacht. De groene Mercedes van Gerrit S. wordt blijkbaar ook genoemd. Niet zo verwonderlijk: de auto reed elke zondag in die omgeving.

Op dinsdagmiddag 8 februari komen er twee rechercheurs bij Herman en Anja aan de deur. 'Ze zeiden dat het ging over de moord op 9 januari. Ze vroegen waar wij die dag waren geweest. Ja, hoe weet je dat nou zo ineens, wat je vijf weken eerder precies hebt gedaan. Ze zeiden dat er toen schaatsen op televisie was geweest. Dat zei me nog niet veel. Dan ga je opnoemen wat je elke zondagmiddag doet: naar Oom Gerrit en Tante Teun, en dat de mannen dan naar het bos gaan.'

Vervolgens wordt er een buitengewoon onhandige afspraak gemaakt: als de politie nog weer komt, zullen ze zeggen dat ze die middag niet naar het bos zijn geweest, om Willem B. een beetje in bescherming te nemen: gezien zijn verleden kan de politie het hem nog knap lastig maken. De politie vat het feit dat deze afspraak is gemaakt op als een vorm van schuldbekentenis. Op 10 februari hoort Anja van haar zus dat Wilco meteen uit zijn werk is opgepakt en dat Oom Gerrit en Tante Teun op het politiebureau zitten.

'Ze kwamen maar niet terug, dus ik ben naar het politiebureau gegaan om te kijken waar ze bleven. Vooral om Tante Teun maakte ik me ongerust: ze komt nooit ergens, ze heeft last van duizelingen. Ze zou in het gemeentehuis zijn, maar daar zeiden ze dat er niet was. Ik moest de arrestantenwacht in Apeldoorn maar bellen. Tegen vreemden noem ik Tante Teun moeder, dus ik vroeg waar mijn moeder was.

De man aan de telefoon begon te lachen.

"Mammie, mammie, ben je hier? Nee, je moedertje is er niet."

Dat was zó vernederend.

Ik zei: "Ik vind het fijn voor u dat u plezier heeft in uw werk, maar begrijpt u niet dat wij heel erg in spanning zitten? Ik vind dit heel ongepast."

 

Hij bood zijn excuus aan, maar ik vergeet het nooit meer. Later bleek dat ze toch op het gemeentehuis zat. Ze werd verhoord. De politie zei dat ze de jongens beschermde, dat ze zeker wisten dat ze die middag wél naar het bos waren geweest. Ze dreigden ook met 'dertig dagen Zutphen.' Maar tante wist zeker dat ze niet weg waren geweest, omdat 's maandagsmorgens een broer van Gerrit bij hen was gekomen en had verteld over de moord. Toen had Gerrit gezegd: "Ben ik blij dat wij gisteren niet zijn wezen rijden." Want iedereen die daar in de buurt gezien was, werd ondervraagd.'

Als Wilco kennelijk als serieuze verdachte wordt beschouwd -hij komt maar niet terug van het politiebureau- realiseert de familie zich dat het ernst wordt en gaat men zich afvragen wat ze op die bewuste zondag nou precies hebben gedaan. Met tv-gidsen en verjaardagskalenders wordt teruggerekend en dan blijkt dat het op 9 januari anders is gegaan dan gewoonlijk. Ze waren 's morgens eerst naar de verjaardag van een neefje geweest, waardoor ze later dan anders waren. Anja, Herman en hun kinderen waren met de fiets naar Oom Gerrit geweest. Tegen vier uur waren ze naar huis gegaan, er is een getuige die hen toen heeft zien fietsen. Gerrit is op de bank gaan liggen, Herman ging thuis naar het schaatsen kijken. Rond kwart over vier had zijn broer Marry nog gebeld om te zeggen dat Rintje Ritsma in de startblokken stond. Achteraf was de 'onhandige afspraak' dus helemaal niet nodig geweest. Herman belt meteen de advocaat van Wilco. Wat ze nu moeten doen. De advocaat adviseert hem de politie te bellen. Na enige vergeefse pogingen lukt het hem de teamleider van het recherchebijstandsteam aan de lijn te krijgen. Deze toont zich niet erg onder de indruk van de mededeling dat de mannen die zondagmiddag niet naar het bos zijn geweest. 'O, dat maakt niet uit,' zegt hij, 'jullie liegen wel meer.' Herman staat erop dat hij een verklaring wil afleggen. Dat kan, de volgende dag om één uur op het gemeentehuis. Anja: 'Daarna is hij niet meer thuisgeweest. Diezelfde middag kwam er acht man politie aan de deur, met een griffier, de officier en de rechter-commissaris. Ze gingen huiszoeking doen. Ik moest ook naar het politiebureau. Daar hoorde ik dat Herman was gearresteerd. "Jullie maken een grote fout," heb ik gezegd. Nee, ik heb geen seconde getwijfeld. Ik wist toch dat hij gewoon thuis was geweest? Wat wel moeilijk was: toen hij acht dagen in de beperking had gezeten, hoorde ik van zijn advocaat dat hij bekend had. Toen dacht ik: "Jé, wat halen ze met hem uit?"

Op de eerste dag van de rechtszitting in Zutphen lijkt het verhaal van officier van justitie mr. J.R. Klunder op het eerste gezicht te kloppen. Vier mannen rijden naar het bos. Ze zien een meisje fietsen en daar worden wat opmerkingen over gemaakt in de trant van: die zouden we wel eens willen pakken. Tijdens een plaspauze verdwijnen Herman en Wilco. Als ze niet terugkomen, gaat Gerrit kijken. Hij kijkt door het raam van het huisje aan de Driewegenweg en ziet dat Herman en Wilco met het meisje aan het stoeien zijn. Hij wenkt Willem B., die naast hem komt staan. Ze staan ongeveer tien minuten te kijken, zonder iets te doen. Wat ze precies hebben gezien blijft vaag: het komt er ongeveer op neer dat Herman de broek en onderbroek van het meisje in één ruk naar beneden zou hebben getrokken, dat Wilco haar armen vasthield en dat Herman haar verkrachtte. Daarna zou Wilco haar hebben verkracht. Herman zou 'naar boven gerichte bewegingen' met zijn arm hebben gemaakt: de dodelijke steken met het mes. Gerrit en Willem waren geschrokken teruggegaan naar de auto. Daar hadden ze gewacht tot Herman en Wilco terugkwamen. Op de terugweg zou Herman iets uit het raam hebben gegooid. Als de politie, op aanwijzing van Gerrit, gaat zoeken wordt -vier maanden later- een verroest mes gevonden. Vezels van een kleedje uit het huis van oma worden op de broek van Herman aangetroffen. Dat er verder geen enkel spoor van Herman en Wilco in het huis of bij het slachtoffer is aangetroffen, en wel van een onbekende, vindt de officier geen bezwaar: er zijn in deze zaak wel meer vragen onbeantwoord.

Op de tweede zittingsdag, als de advocaten aan bod komen, blijft er van het verhaal van de officier geen spaan heel, behalve de bekentenissen van Herman en Wilco en de verklaringen van 'kroongetuigen' Gerrit S. en Willem B. Op het lichaam van Christel, in de steekwonden, zijn haren aangetroffen van een onbekende. Er is sperma aangetroffen van een onbekende man. Volgens de officier zou ze de dag ervoor een avontuurtje gehad kunnen hebben, maar Christel's beste vriendin, die haar die dag nog had gesproken, achtte dat uitgesloten. Sporen van voetafdrukken in de gang konden niet worden thuisgebracht, het terughangen van de sleutel blijft een raadsel. Bovendien: als Gerrit en Willem tien minuten voor het raam hadden staan kijken, hadden getuigen dat moeten zien: het huis staat dicht aan de weg. En waarom hebben ze niet ingegrepen, niet op het raam getikt? Het mes dat Herman uit het raam zou hebben gegooid, en dat op aanwijzing van Gerrit zou zijn gevonden, blijkt weinig steekhoudend. De advocaten, mr. F. Klemann en mr. C.S.P.M. de Kock: 'Met een peloton ME-ers is de halve Veluwe uitgekamd en er is toen een mes gevonden, maar uit niets blijkt dat dit het moordwapen was. Uit niets blijkt dat Herman zo'n soort mes zou hebben gehad.' Het verhaal over het mes is waarschijnlijk zo tot stand gekomen: een getuige die ook wel eens met de mannen meereed, heeft tegen de politie verklaard dat Herman toen 'iets' uit het raam had gegooid. De politie heeft dat 'iets', dat in werkelijkheid een bierflesje was, getransformeerd tot een mes en het voorval op 9 januari gedateerd. De vezels van oma's kleedje, op Hermans broek, bleken ook weinig overtuigend: ze waren van een zeer gangbare soort, het Gerechtelijk Laboratorium kwalificeerde de overeenkomst met 'de laagst mogelijke waarschijnlijkheid.' Kwalijk achtten de advocaten dat het onderzoek naar andere verdachten geheel was stopgezet nadat Herman en consorten in het vizier waren gekomen. De bestuurder van een rode Peugeot met buitenlands kenteken, die op de bewuste middag was gesignaleerd, werd niet gevonden. Twee dubieuze personen met wie Christel recent contact had gehad en waarover haar broer zich zorgen maakte, werden niet benaderd. De verklaring van een getuige die Herman en Anja 's middags om vier uur had zien fietsen, werd niet opgenomen, dat gebeurde pas veel later op uitdrukkelijk verzoek van de advocaten.

De rechtbank, onder aanvoering van mr. I.P. de Bie, twijfelt blijkbaar ook. Er wordt een derde zittingsdag ingelast om onder anderen 'kroongetuige' Willem B. te horen. Tegen verscheidene mensen had hij verteld dat hij zijn verklaring had ingetrokken, maar voor de rechtbank herhaalt hij: 'Ik blijf bij mijn verklaring.' De labiele Willem, die op verzoek van de politie weer bij zijn moeder was gaan wonen, heeft voor een onmogelijk dilemma gestaan. Bij de politie kreeg hij te horen dat 'iemand met zijn verleden' wél een beetje moest meewerken, anders zou hij zelf wel eens als verdachte kunnen worden beschouwd. De dagvaarding voor het getuigenverhoor was niet op de gebruikelijke manier verzonden: op verzoek van de Officier had Willem zich hiervoor op het politiebureau moeten melden. Over het vervoer naar de rechtbank hoefde hij zich ook geen zorgen te maken: twee rechercheurs kwamen hem keurig van huis halen...

Blijft de vraag: wie bekent nou een moord die hij niet heeft gepleegd? Het antwoord ligt in de persoon van Herman en de manier van verhoren. Tachtig keer is hij verhoord, dagen achter elkaar, soms tot diep in de nacht. Ook de anderen zijn tientallen keren verhoord. De verdachten werden tegen elkaar uitgespeeld: Herman heeft bekend, beken jij nou ook maar. Er werden spelletjes gespeeld: Herman moest Anja opbellen en zeggen dat hij had bekend. Later bleek dat Herman op dat moment in het gezelschap was van twee rechercheurs en dat het gesprek op de band werd opgenomen, zonder dat Anja dat wist. Van de 'bekennende' verklaringen waren sommige passages tot op de komma gelijk, ook al hadden er maanden tussengezeten. Volgens de advocaten alleen te verklaren als de verbalisanten handig gebruik hebben gemaakt van de kopieerfuncties van Wordperfect: hup, weer een bekennende verklaring. Het lijkt erop dat de 'bekentenissen' van Herman vooral bestaan uit een door de politie opgesteld draaiboek, waar hij -om van het gezeur af te zijn- zijn handtekening onder heeft gezet. 'Schrijf maar op, ik teken alles', ervan uitgaande dat de rechter hem uiteindelijk wél zou geloven. Bij de rechter-commissaris heeft hij dan ook nooit een bekentenis afgelegd, uitsluitend tijdens de verhoren door de politie. Wilco V. heeft over de moord helemaal geen bekentenis afgelegd, hij bleef maar zeggen dat hij 'het plaatje niet rond kon krijgen', hij zag droombeelden waarvan hij uiteindelijk aannam dat ze werkelijkheid geweest waren.

Na de zittingsdagen heerste er een stemming van: hier moet vrijspraak volgen. Anja: 'Bij de familieleden van Christel, die bij de zittingen waren, voelde ik de eerste dag een soort vijandigheid, daarna helemaal niet meer.' De vader van Christel zei het met zoveel woorden: 'Ik heb niet de overtuiging dat dit de daders zijn.' Het vonnis, 9 jaar gevangenisstraf plus tbs voor Herman en 12 jaar gevangenisstraf voor Wilco, kwam dan ook hard aan. De blamage voor politie en justitie zou, bij vrijspraak, ongekend zijn, 'maar moeten wij daar dan het slachtoffer van worden?' zegt Anja. Haar hoop is gevestigd op het Hoger Beroep, en een beetje op het idee dat de echte dader wordt opgespoord. Dat laatste is erg onwaarschijnlijk. Het onderzoek is allang stopgezet en al zou de moordenaar zich op een presenteerblaadje aanbieden: de politie kan nu éven geen echte daders gebruiken.

Fragment uit het verhoor van Gerrit S., de schoonvader van Herman D., die samen met Willem B. voor het raam zou hebben gestaan toen Christel werd verkracht.

Gerrit: Ik heb helemaal niet voor het raam gestaan.

Rechter: Toch hebt u dat een keer of tien verklaard. Kunt u zich die zondag nog voor de geest halen?

Gerrit: We hadden visite: Herman, Wilco en Marry(een broer van Herman, HJK), met hun vrouwen en kinderen. Om ongeveer kwart voor vier zijn ze weggegaan. Mijn vrouw en ik zijn thuisgebleven. Ik zei: ik ga de pony voeren en de twee geiten, ik ga lekker een poosje op de bank liggen slapen.

Rechter: Hoe lang?

Gerrit: Tot kwart voor zes.

Rechter: Waarom verklaart u dan dat u bent weggeweest?

Gerrit: Ik heb nooit wat met de politie te maken gehad, dan kom je ineens in zo'n celletje, alles loopt door mekaar heen, de druk wordt zo groot, je moet wel een verklaring afleggen.

'Anders zul je honderd celletjes zien,' zeiden ze.

Rechter: Hebt u nog contact gehad met Willem B.?

Gerrit: Nee.

Rechter: Hoe kan het dan dat u beiden hetzelfde verklaart? "We liepen naar het huisje toe, we hoorden een schreeuw."

Gerrit: Ik was geestelijk kapot.

Rechter: Hoe weet u de details over de inrichting van het huisje?

Gerrit: Dat heeft de politie voorgelezen, uit andere verklaringen.

Rechter: U hebt gezegd dat u achter het meisje reed en dat er toen allerlei smerige opmerkingen zijn gemaakt.

Gerrit: Onder druk. Je bent geestelijk gestoord.

Rechter: Uw laatste verklaring was dat u Wilco en Herman naar het huisje hebt zien lopen en toen ze wat lang wegbleven bent u voor het raam gaan kijken. "Ik heb gezien dat Herman en Wilco na elkaar op het meisje lagen, dat ze neukbewegingen maakten." Toen wenkte u Willem B., die is naast u voor het raam komen staan.

Gerrit: Ik ben er niet geweest.

Rechter: Kunt u 't goed vinden met Herman D.?

Gerrit: Hij is mijn grootste vriend.

Rechter: Nog?

Gerrit: Ja.

Rechter: Grootste vriend, schoonzoon: heeft de politie u dan zo onder druk gezet, dat u hem beschuldigt van verkrachting en moord, terwijl u er niet was?

Gerrit: De politie heeft ons zo tegen elkaar opgezet dat we elkaar gingen haten. Je zit uren in zo'n hokje, vier dagen per week. Ik ben 30 tot 35 pond afgevallen. Ik kreeg vuurbollen in mijn hoofd.

Rechter: Wanneer zijn die weggegaan?

Gerrit: Na mijn vrijlating.

Rechter: Bij de rechter-commissaris hebt u eerst tegenstrijdige verklaringen afgelegd. Hij heeft gezegd: "Denk er nog eens rustig over na." Daarna leest hij een deel van uw verklaring voor en zegt u: "Ik ben er wel geweest. Ik zag Herman en Wilco met het meisje stoeien en duwen, heel onschuldig. Ik zag geen afwerende bewegingen van haar, het was speels. Ik zag dat Herman de broek van het meisje naar beneden trok, in één ruk, tegelijk met de onderbroek." Dat is een belangrijk detail: dat kon behalve de dader en de politie niemand weten. "Wilco hield het meisje bij de arm vast. Na Herman is Wilco eropgeschoven. Toen Wilco van het meisje af was gegaan, zag ik haar trappelende bewegingen maken. Wat er precies gebeurd is, weet ik niet, Willem B. kan het beter vertellen, hij stond er beter voor. Herman maakte een beweging van boven naar beneden." De politie vraagt: "Was dat een slaande beweging?" U zegt: "Ja, ik dacht eerst dat het onschuldig was. Ik was helemaal confuus." Weet u wat dat is, confuus?

Gerrit: Nee.

Rechter: Beduusd. Op de terugtocht zou Herman iets uit het raam hebben gegooid. De politie is met u rond gaan rijden en weet u wat ze vonden op de plek die u aanwees?

Gerrit: We zijn de deur niet uitgeweest.

Rechter: Een mes. De politie zegt dat het op uw aanwijzingen gevonden is.

Gerrit: Ik weet het niet meer.

Rechter: Kunt u het dan verklaren?

Gerrit: Nee, want we zijn niet weggeweest.

Rechter: Wat moet ik daar nou van denken?

Gerrit: Het is toeval geweest.

Rechter: Het vervelende is dat u allerlei dingen verteld heeft die kloppen.

Gerrit: Dat is me allemaal in de mond gelegd. Ik was geestelijk helemaal kapot. Ze zeggen allemaal dat je wél bent weggeweest, terwijl ik 100 procent zeker wist van niet.

Fragment uit het verhoor van hoofdverdachte Herman D.

Rechter: Ik heb hier 85 verklaringen van u. U weet dat u ook hebt verklaard dat u wel bent weggeweest.

Herman: Hoe zijn die tot stand gekomen? We gaan zondags altijd met Gerrit naar het bos, wat rondrijden, wat drinken. Toen ik de eerste keer werd gehoord, had ik daar niet zo bij nagedacht. Later heb ik de politie gebeld en gezegd: "Het spijt me, maar die middag zijn we niet weggeweest." Maar ze zeiden steeds, wel 100.000 keer: "Je bent wél weggeweest." Ze dreigden dat mijn vrouw in de gevangenis zou komen, dat de kinderen het huis uit moesten, toen heb ik gezegd: "Schrijf maar op wat je wilt." Ik had nooit eerder met de politie te maken gehad.

Rechter: U verklaart: "Ik ben niet weggeweest." Dan zou ik zeggen: als je niet bent weggeweest, ben je niet weggeweest en dan heb je zeker niet iemand verkracht en vermoord. Maar wat doet meneer D.? Hij zegt niet alleen: "Ik ben wél weggeweest", maar ook: "Ik ben ín dat huisje geweest, ik heb dat meisje geneukt, ik heb dat meisje doodgestoken!" We hebben het hier niet over diefstal van een pak suiker, we hebben het over moord! Meneer D., ik heb in het rapport van het Pieter Baan Centrum niets gelezen over een slecht ontwikkeld geheugen. Uw medeverdachte, Wilco V., kan 'het plaatje niet helder krijgen.' Maar daarover lees ik bij u niets. Hoe kan dat nou?

Herman: Ze vragen bijvoorbeeld: "Wat staat er in een huis?" Dan zeg ik: "Een tafel en een stoel." Dan zeggen zij: "Dus je bent er wél geweest." Maar ik bedoelde gewoon: in een huis. Maar dan zeggen zij: "Doe niet zo achterlijk, je weet toch waar we 't over hebben." Zo zijn die verhoren gegaan.

Rechter: En dan beken je een moord.

Herman: Niet één, twee, drie.

Rechter: Kende u dat huisje?

Herman: We reden er wel eens langs.

Rechter: Maar niet die dag. U hóeft niets te zeggen.

Herman: Ik heb niets te verbergen.

Rechter: U bent bij uw neefje geweest, 's middags met de fiets naar Gerrit, u bent naar huis gegaan, hebt naar 't schaatsen gekeken, uw vrouw en schoonmoeder en Evelien zijn 's avonds gekomen, zij hebben zitten kaarten, u naar sport gekeken. Gewoon, niks bijzonders.

Herman: Ik zag het echt niet meer zitten, met die verhoren. Het interesseerde me niks meer, ik heb gewoon mijn handtekening gezet. Ik kwam een keer in zo'n kantoortje, daar hing een groot bord met mij in het midden en allemaal pijlen die naar mij wezen, dat ik de moordenaar was, de duivel zelf, dat ik geen hart had.

Rechter: Overigens hebben ze wel alle drie u beschuldigd: Willem B., Wilco en Gerrit.

Herman: Dat was omdat de politie zei dat ik wist waar het mes was. Toen hebben ze gedacht: "Dan zal hij 't wel gedaan hebben."

Rechter: En u hebt de anderen ook beschuldigd.

Herman: Ik was zo kwaad toen ik hoorde dat zij mij beschuldigden, dat ik dacht: waar heb ik dit aan verdiend? Als ze 't zo goed weten, zullen ze 't zelf wel hebben gedaan.

Rechter: U hebt er wel voor getekend. "Wilco en ik hebben het meisje geneukt" en later: "Ik stond toe te kijken toen Gerrit en Wilco bezig waren."

Herman: Ik ben daar helemaal niet geweest.

Rechter: Er zijn toevalligheden, maar er zijn ook dingen die kloppen. De opmerkingen die door u vieren zijn gemaakt toen u in de auto zat. U zag het meisje fietsen. Wilco zegt: "Daar heb ik nog mee op school gezeten, daar heb ik wel eens wat mee gehad." En u: "Die zou ik weleens willen neuken, al stond Anja er bij te janken."

Herman: Dat zijn van die opmerkingen... Ik heb een gigantisch goed huwelijk, maar als we een leuke meid op een paard zagen zitten, zeiden we daar ook wel eens wat over, maar daarmee heb je nog niet het idee om het ook echt te gaan doen.

Rechter: "Gerrit moest en zou neuken." Dat is toch wel wat?

Herman: Meneer de rechter, u kunt niet begrijpen hoe die verklaringen tot stand komen. De politie vraagt: "Als je achterom loopt, hoe kom je dan binnen?" Ik zeg: "Door de keuken." En dan zeggen zij weer: "O, je bent er dus wel geweest."

Rechter: Wat ik niet begrijp is: u bent er niet geweest, ze vragen: hoe komt u daar binnen, dan zeg je toch: ik ben er niet geweest.

Herman: Ze vragen: "Hoe kom je een huis binnen." Niet: dát huis. Dan zeggen ze: "Je bent toch niet achterlijk, het gaat over dát huis." Ik kon er niet meer tegen, ik was bang voor die mensen. Ik weet nu dat geestelijk iemand mishandelen erger is dan lichamelijk. Het zijn schoften. Als je nooit wat met politie of justitie te maken hebt gehad en je wordt dan zo door de mangel gehaald, dan interesseert het je niet meer.

Rechter: Uiteindelijk zegt u: "Waar ik Gerrit heb gezegd, moet u mij lezen."

Herman: Tegen Wilco heb ik gezegd: "Als je er wat mee te maken hebt, zeg het dan."

Rechter: Ik had begrepen dat u bedoelde dat hij zijn aandeel maar moest bekennen.

Herman: Nee, ik heb gezegd: "Als je er wat mee te maken hebt, beken het dan. Als je 't niet voor mij doet, doe het dan voor mijn gezin."

Rechter: U hebt ook gezegd: "Vanuit de plaats waar Gerrit stond kan hij nooit hebben gezien dat het tafeltje omviel." Hoe kon u dat nou weten, dat Gerrit dat niet kon zien, als u er zelf niet was?

Herman: Ik weet niet hoe dat tot stand is gekomen, het ging bij stukjes en beetjes, het verhaal werd steeds groter.

Rechter: Herinnert u zich deze passage?

Herman: Nee. Het kon me niet meer schelen wat ik zei, ik zei: "Schrijf maar wat op, ik vertel wel bij de rechter hoe het zat."

Rechter: Dit is de eerste keer dat ik dit hoor.

Herman: Ik heb het wel honderdduizend keer gezegd. Hún vonden het zo belangrijk waar ik was geweest, maar wat kon mij dat nou schelen, ik heb niks met het delict te maken gehad, wat maakt het mij dan uit waar ik ben. Ze bleven maar drammen.

Rechter: Als ze maar lang genoeg doorgaan, dan heb je iemand verkracht en doodgemaakt.

Herman: Het kon me echt niets meer schelen. Je denkt aan je vrouw en kinderen die thuis zitten. "Zeg nou maar klootzak dat je er wél bent geweest." Dat ging maar door. Ik zei: "Schrijf maar op."

Rechter: Noem eens wat van die details?

Herman: Dat ze neergestoken was, dat ze halfnaakt lag. Dan vroeg de politie: "Waar is ze gestoken?" Zei ik: "Dat kan in de arm, in de borst, dat kan overal."

Rechter: Dat vind ik een raar antwoord.

Herman: Ze vroegen hoe ik wist dat ze neergestoken was. Ik zei: "Dat heb ik van Wilco gehoord." Hún maken er dan van: dus jij hebt haar gestoken. Ze vroegen het aan mij, dus dan probeer ik daar een antwoord op te geven.

Fragment uit het verhoor van Anja, de vrouw van Herman, die als getuige optreedt. Haar advocaat vraagt of ze zich nog kan herinneren wat ze heeft verklaard.

Anja: Over het algemeen alles wel.

Rechter, met enige al of niet geveinsde verbazing: Kunt u zich nú nog herinneren wat er op 9 januari is gebeurd?

Anja: 'Ja, exact. Als u het mij over tien jaar vraagt, weet ik het óók nog.'

Rechter: 'Hoe bent u daar nou achtergekomen, wat u die dag had gedaan?'

Anja: 'Op 8 februari waren er rechercheurs bij ons geweest, die zeiden dat Herman verdachte was. Mijn zwagertje(Wilco) was opgepakt, dan raak je als familie in paniek, dan wil je weten wat er echt is gebeurd.'

Rechter: Uw man is die dag niet meer weggeweest, nadat u terugkwam van Gerrit en Teunie?

Anja: Nee, we hadden 's avonds visite. De vrouwen waren aan het kaarten, omdat we een ontzettend hekel hebben aan sport. Rechter: Heeft uw zwager Marry 's middags nog gebeld?

Anja: Ja, om ongeveer kwart over vier, om te zeggen dat er een Nederlander ging schaatsen, ik meen van Rintje Ritsma.

De Officier van Justitie vraagt hoe het kan dat de familie zich op 13 februari wél kan herinneren wat er die zondag was gebeurd, terwijl ze 't eerder niet wisten.

Anja: Toen Wilco was opgepakt, was er een soort heksenjacht ontstaan. Als je als familie bij zoiets betrokken raakt, wil je weten wat er gebeurd is. Heel Putten stond op zijn kop, iedereen praatte erover, er was nog nooit zoiets gebeurd. Marry is bij ons gekomen en zei steeds maar: er wás iets op die zondag, maar iedereen zat door elkaar te praten, er is eerst niet veel aandacht aan besteed. Maar later hebben we de tv-gidsen gepakt en de kalenders en toen kwamen we erachter dat we op 9 januari naar de verjaardag van het neefje zijn geweest.

De Officier, tegen de president: 'Ik heb het idee dat deze vrouw niet de waarheid spreekt. Ik verzoek u een verklaring van meineed op te maken. Uit alle aanwijzingen is het duidelijk dat Herman D. die middag wél met de auto is weggeweest en dat betekent dat zij mijns inziens opzettelijk onwaarheid spreekt.

Anja: Ik heb net gezworen op de bijbel. Als het niet de waarheid was, had ik dat nooit gedaan.

De advocaat stelt haar wat vragen over het karakter van Herman.

Anja: Toen ik hem na de arrestatie voor het eerst zag, dacht ik dat ik hem nooit meer thuis zou krijgen. Ze hadden hem psychisch helemaal kapot gekregen.

De advocaat vraagt of Herman agressief was.

Anja: Helemaal niet. Ik ben zelf wel een type... ik kan knap eigenwijs zijn, dat ik hem het bloed onder nagels weghaal, maar dan loopt hij weg.

Rechter: Wat voor kleren droeg hij die dag?

Anja: Een zwarte spijkerbroek en een trui met veel kleuren. Thuis heeft hij een joggingbroek en een shirt aangetrokken. Dat doet hij altijd.

Rechter: Hoe weet u dat zo precies?

Anja: Die kleren had hij gekocht voor de Kerst. Het is altijd een hele toer om hem mee naar de winkel te krijgen, hij koopt haast nooit nieuwe kleren.

De rechter deelt mee dat het niet in het belang van het onderzoek wordt geacht proces-verbaal van meineed op te maken.

Fragment uit het verhoor van Wilco V.

Rechter: U hebt vijftig verklaringen afgelegd, maar ze zijn niet allemaal gelijkluidend. De vraag is: welke berusten op waarheid en welke niet?

Wilco: Degene die vertellen dat ik er niets mee te maken heb.

Rechter: Eerst zegt u van niet, later weer wel. U had dromen, flitsen, waarin u iemand bij het raampje zag. U zei: "Ik probeer jullie te helpen, maar het lukt mij niet om het plaatje helder te krijgen."

Wilco: Ik ben zwaar onder druk gezet. Als ik verklaarde dat ik er niet was geweest, werden ze zeer kwaad. Daarom ben ik maar met ze mee gaan praten.

Rechter: Het gaat hier niet om illegaal stropen of een winkeldiefstalletje, je kunt niet volstaan met: ik weet het niet meer.

Wilco: Door het kwaad worden van de rechercheurs werd ik bang, ik heb uitvluchten gezocht. Als ik meeging met hun idee kon ik de verhoren beter aan.

Rechter: Gevaarlijk hè? Het lijkt wel of het een complot van de politie was.

Wilco: Ik heb altijd een zeer groot vertrouwen in de politie gehad, maar dat is nu wel enigszins geschaad. Er werd me van alles in de mond gelegd. 'Iemand met een fors postuur,' zei ik. 'Herman?' vroegen ze dan.

Rechter: Waar zag u die dan?

Wilco: In de beelden, in dromen. Hoe het gebeurd kon wezen, ik kon het me niet voorstellen. Door de druk, het constant erop hameren, wist ik van voren niet meer of ik van achteren nog leefde.

Rechter: U hebt ook iets verklaard over het aandeel van Herman. Wat?

Wilco: Verscheidene dingen. Over de verklaringen die naar mij gericht waren. Het was eigenlijk een vechtpartij op papier, plus de angst: wat gaat hij me allemaal aandoen?

Rechter: Kende u het slachtoffer?

Wilco:  Nee, helemaal niet. Ik heb gelezen dat mensen verklaard hebben dat ze mijn vriendin zou zijn geweest, maar ik snap niet hoe ze daar bij komen.

Rechter: "Wilco heeft verkering met haar gehad, bij haar op school gezeten?"

Wilco: Mannen onder elkaar. Als je een wandelend paartje in het bos ziet wordt er wel eens een in onze ogen behoorlijk humoristische opmerking over gemaakt.

Over de belastende verklaringen die Willem B. heeft afgelegd, zegt Wilco: 'Ik vond het jammer, maar je hebt er niks aan om kwaad te worden. We zaten allemaal in hetzelfde schuitje, je kan alleen hopen dat de waarheid boven water komt.

Rechter: U moet toch op z'n minst verbaasd zijn geweest?

Wilco: Meer teleurgesteld. Waarom moest het allemaal zo ruig en zo hard. In het begin had ik het volste vertrouwen in de agenten, maar toen begonnen ze met: je vriendin wil je verlaten, je ouders geloven je niet meer. Waarom doen ze dat? Ze hebben me zover gekregen dat ik dingen ben gaan bekennen die ik helemaal niet gedaan had.

Rechter: U hebt nooit bekend dat u er zelf bij betrokken was.

Wilco: Gelukkig heb ik die waarheid vol kunnen houden.

Rechter: U bent geconfronteerd met Herman.

Wilco: Hij zat te huilen als een klein kind, dat heeft me heel veel gedaan. Hij wilde ook antwoorden: hebben we 't gedaan of niet? Ik heb gezegd: "Ik zal erover nadenken, maar ik kan 't me niet herinneren."

Rechter: Daar hoef ik geen genoegen mee te nemen: ik kan 't me niet herinneren. Bij zo'n feit werkt dat zo niet.

Wilco: Ik was op dat moment emotioneel heel erg zwak. Ik weet niet of hij er geweest is, in elk geval was hij niet bij mij, ik was thuis, ik weet niet wat hij gedaan heeft.

Rechter: Er is een confrontatie geweest met Gerrit S., uw schoonvader.

Wilco: Dat was een heftige confrontatie. Hij is mij aangevlogen. Ze hebben hem met drie agenten tegen moeten houden. Hij was kwaad omdat ik niet bekende. Als ik wel bekende mocht hij naar huis.

Rechter: Ik lees in de verklaring van Gerrit S.: 'Wilco zei: "Pa, Herman heeft op dat meisje gelegen."

Wilco: Dat was het enige dat ik moest zeggen, anders had het geen nut. Het was op verzoek van de politie. Mijn schoonvader zat in een dal, daarom moest ik dat tegen hem zeggen.

Rechter: "Herman wil van mij het slot van het verhaal" en "Als Herman zegt dat ik Christel heb verkracht, vind ik dat vreselijk, maar ik kan me er niets van herinneren." U zegt geen ja, geen nee, maar: ik kan het me niet herinneren.

Wilco: Ik heb het niet gedaan, ik ben toch gek als ik dan ga verklaren van wél?

De advocaat vraagt hem hoe de beschrijving van het interieur van het huisje tot stand is gekomen.

Wilco: Ze vroegen bijvoorbeeld: wat lag er op de vloer? Ik zei: Geen flauw idee, parket misschien? Dan zei de politie: 'Je weet donders goed dat er vloerbedekking lag!'

Uit het rapport van het PBC komt Wilco naar voren als een wat zwakke persoonlijkheid, iemand die conflicten vermijdt.