Header image  
logo2
logo3
 
 

Doodsbang in Vietnam

lesliebowen
(Reportage uit de winter van 1989)

"De hele wereld maakte zich druk om dat mannetje op de maan. Maar toen hij die 'kleine stap voor een mens' maakte, lag ik doodsbang in een loopgraaf in Vietnam." Voor Kevin Bowen(41), directeur van het William Joiner Center in Boston, is de oorlog nog lang niet afgelopen. Hij is net weer terug van een bezoek aan zijn oude strijdgebied in Vietnam. Hij is niet de enige: de laatste jaren zijn er steeds meer veteranen die hun oorlogstrauma proberen te verwerken door terug te gaan naar de 'killing fields'. Het William Joiner Center is genoemd naar de zwarte Vietnam-veteraan die in 1981 overleed aan leverkanker als gevolg van het werken met 'Agent Orange'.

Van Boston is het 'een kleine stap' naar het dorpje Brockton; twee andere Vietnam-veteranen, die ook net terug zijn van een trip naar hun voormalige strijdtoneel, houden daar een dia-avondje voor hun oorlogsvrienden, in het veteranencentrum; een gebouw dat het midden houdt tussen een dorpshuis en een voetbalkantine. Buiten is het bitter koud. Enorme sneeuwhopen onttrekken het gebouw haast aan het gezicht; de meeste bezoekers zijn met stoere terreinwagens gekomen. Het grootste deel van de aanwezigen bestaat uit veteranen en hun familieleden. Ze zijn gekomen voor Frank Noe, een 40-jarige brandweerman uit het nabijgelegen Stoughton, en Nate Genna, een 41-jarige onderhoudsmonteur uit Boston. Beiden maakten deel uit van het Elfde Korps Mariniers dat in Vietnam verantwoordelijk was voor de aanplant van mijnenvelden. In totaal stopte het korps meer dan 100.000 mijnen in de Vietnamese grond. Pas in 1988, dertien jaar nadat de Amerikanen zich uit Vietnam hadden teruggetrokken, begon het door te dringen dat die bommen nog steeds slachtoffers maakten: in tien jaar tijd waren alleen in dat bewuste mijngebied al drieduizend onschuldige burgers dodelijk de lucht in gevlogen. Vooral veel kinderen. Zes leden van dat elfde bataljon besloten in 1989 terug te gaan naar Vietnam om te helpen de troep daar op te ruimen. Uit het gebied rond Boston waren Frank en Nate erbij; de dia-avond was belegd om van hun wederwaardigheden in woord en beeld kond te doen aan belangstellende mede-veteranen.

Het is een merkwaardig gezelschap dat deze avond is samengekomen. De stoerheid van de terreinwagens buiten is meegegaan naar binnen. De kachel brandt volop, maar veel bezoekers houden hun dikke legerjacks en zware laarzen gewoon aan. In totaal zijn er ongeveer zestig mensen, meest veteranen, maar ook wat aanhang. De bijeenkomst doet denken aan de reünie van een dorpsschool uit de jaren zestig. De 'types' zijn herkenbaar en vallen grofweg te verdelen in: de praters en de stoeren. Er zijn er bij die de hele avond schijnbaar achteloos tegen de muur leunen en net doen of alles aan hen voorbij gaat. Er is een ruige bink met lang haar, die qua uiterlijk in de jaren zestig is blijven steken en die ineens fel en agressief reageert als het op deze avond nauwelijks aan de orde zijnde onderwerp van 'uitkeringen' even wordt genoemd.

Het lijkt iemand die na de oorlog in een gat is gevallen. Zijn volstrekte tegenpool is een keurige heer in een driedelig pak, toch veteraan van het Elfde Bataljon. Frank en Nate zijn ook totaal verschillende types. Frank is de stoere jongen. Hij is vaak nauwelijks verstaanbaar, heeft een onvoorstelbaar zware gromstem en praat in half-afgemaakte zinnen. Zijn emoties zijn te vinden op het dia-scherm: hij heeft alle dia's gemaakt. In de zaal liggen ook zijn fotoboeken uit Vietnam ter inzage. Hij heeft meer

filmrolletjes volgeschoten dan Vietnamezen. Bij Nate Genna liggen de gevoelens meer aan de oppervlakte: hij is de spreker van het duo en heeft een fijn gevoel voor wat wel en niet kan. Als er iemand geagiteerd of cynisch dreigt te worden, grijpt hij sussend in.

Nate legt uit hoe het zo gekomen is. "Het idee is ontstaan tijdens een reünie van het Elfde Bataljon in 1987. Een van de veteranen had een krantenknipsel meegenomen waarin de ellende werd beschreven van de duizenden Vietnamese kinderen als gevolg van de nog niet ontplofte Amerikaanse mijnen en bommen. De meeste van die kinderen waren nog niet eens geboren toen wij uit Vietnam weggingen." Het werkterrein van het Elfde Bataljon strekte zich uit van de oude hoofdstad Hué tot het smoezelige grensplaatsje Dong Ha, allebei aan de rand van de 'DMZ', de gedemilitariseerde zone die tijdens de oorlog Noord- en Zuidvietnam scheidde.

Nate Genna: "In totaal hebben we daar honderdduizenden mijnen geplaatst om te voorkomen dat Noordvietnamese troepen Zuidvietnam binnen zouden vallen. Verder zijn er nog ontelbare onontplofte bommen en granaten in dat gebied. Die mijnen zijn nooit bedoeld geweest om onschuldige burgers te doden. Rollen prikkeldraad gaven aan waar ze lagen, met waarschuwingsbordjes in het Vietnamees en het Engels, maar na de oorlog is dat kostbare prikkeldraad weggehaald door opkopers en arme boeren. Veteranen die in de afgelopen jaren Vietnam bezochten kwamen met alarmerende berichten over de duizenden onschuldige slachtoffers die daardoor omgekomen zijn, en de ziekenhuizen die uitpuilen van de gewonde kinderen."

Frank Noe, zelf hoog onderscheiden omdat hij de levens van acht mariniers heeft gered en zijn eigen leven herhaaldelijk op het spel zette om explosieven onschadelijk te maken: "Normaal gesproken hadden we aan het einde van de oorlog de stafkaarten met de plaatsen van de mijnenvelden aan de Vietnamezen gegeven, maar door de manier waarop die oorlog eindigde is dat nooit gebeurd. De slachtoffers zijn vooral spelende kinderen en kinderen die het metaal verzamelen en verkopen aan de Japanners, die het in de auto-industrie gebruiken. Er moeten heel wat Toyota's rijden met stukjes van onze bommen. In tien jaar tijd zijn er op deze manier in één provincie drieduizend burgers omgekomen."

Nate Genna: "Maar het was voor ons geen 'guilt-trip'; we zijn niet gegaan omdat we ons schuldig voelen, wel omdat we onze verantwoordelijkheid kennen: wij wisten waar ze lagen. Er ligt nog genoeg voor de komende tweehonderd jaar. Dat is de prijs die je betaalt voor oorlog."

In Vietnam ontmoetten de zes oud-strijders hun vijanden van toen. Nate: "We hebben gesproken met de soldaten die vroeger direct tegenover ons stonden. We hebben technisch advies gegeven en we hebben mijnenvelden opgezocht. In totaal hebben we wel een stuk of tachtig mannen, vrouwen en kinderen gezien die aan het zoeken waren naar explosieven, met de bedoeling ze aan Toyota te verkopen. Ze zoeken mortierscherven, maar er zitten ook scherpe granaten tussen en die zijn nog steeds tamelijk dodelijk. Een maand voordat wij er waren zijn er in dat gebied acht kinderen op deze manier omgekomen."

De aankomstplaats in Vietnam was Hanoi. Nate: "Toen we daar aankwamen hadden we het gevoel dat we het hol van de leeuw opzochten, maar het viel ontzettend mee. Toen de mensen eenmaal door hadden dat we Amerikanen waren en geen Russen werden ze ongelooflijk vriendelijk en begonnen ze te lachen. Het was hartverwarmend."

Frank: "Toen we daar als soldaat waren, waren we jongens. We zijn er snel volwassen geworden. Ik voelde me weer een kind."Nate: "Door deze reis zijn mijn herinneringen heel erg veranderd. Ik heb haast het gevoel dat ze verdwenen zijn. Het lijkt ineens alles veel langer geleden."Frank: "Ik denk dat we als Amerikanen een goede indruk hebben achtergelaten in Vietnam. De mensen lachten en zwaaiden naar ons, niet om geld, ze bedelden niet. Ook mijn herinneringen zijn anders geworden. Nadat ik uit Vietnam was weggegaan heb ik altijd met de gedachte geleefd: elke dag kan de laatste zijn. Tijdens de oorlog was dat idee zo sterk dat ik het nooit meer uit mijn hoofd heb kunnen zetten. Dat zit nog steeds in je hersens. Nu, na deze reis, is het vrediger geworden in mijn hoofd."

Voordat Frank Noe zijn dia's gaat projecteren, kunnen de aanwezigen vragen stellen. De eerste vraag gaat over het beruchte ontbladeringsmiddel agent orange. Of de gevolgen daarvan nog te zien zijn.Nate: "Ik wist toen niet wat agent orange was. Ik dacht dat het alleen een beetje de toppen van de bomen haalde. Maar het hele bos in het gebied rond Dong Ha is weg. Het is een volkomen kale vlakte. 't Werkt nu blijkbaar nog net zo efficiënt als toen. Ongelooflijk. Maar het ergste waren de ziekenhuizen, waar we tientallen kinderen met allerlei soorten vreselijke ziektes hebben gezien, voorzover wij konden nagaan veroorzaakt door dat gif."

Een vrouwelijke bezoeker heeft haar twijfels over de therapeutische werking van zo'n Vietnam-reis. "Toen mijn man naar de Washington Memorial is geweest duurde het een jaar voor hij eroverheen was. Zou zo'n reis voor iedereen wel gezond zijn?"

Een overduidelijke veteraan wil weten wat voor gevoel het was in Vietnam te zijn zonder wapens.Frank: "Het was heel apart. Opwindend. Ik was blij dat ik ze niet bij me had.Vraag: Hoe zagen de bases eruit?Frank: "Ik herkende ze meteen. Het gras was er kniehoog. We snapten niet waarom er zoveel materiaal weg was."Vraag: Is de airstrip in Dong Ha er nog?Frank: "Nee".Nate: "Er is een bananenplantage van gemaakt."Vraag: Waren er veel Sovjets?Frank: "We hebben er niet veel gezien. In elk geval geen troepen, wel militaire vliegtuigen en zo. We hebben één keer een probleem gehad met een Noordvietnamese soldaat. Hij begreep niet waarom we terugkwamen."Nate: "En ik ben een keer uitgescholden voor een Rus".

Het meest beladen onderwerp wordt voorzichtig aangesneden en even behoedzaam afgevoerd. Of ze nog 'pie oo doublejoes' hebben gezien(POW's: Prisoners Of War, ofwel: krijgsgevangenen). De termen lopen wat door elkaar: de ene keer wordt er gesproken over MIA's(vermisten), de andere keer over POW's. Maar Nate wil er liever helemaal niet over spreken. "Vooral niet omdat er hier ook pers bij is. Niemand is gebaat bij sensatieverhalen in de kranten. We moeten voorkomen dat we ons het ongenoegen van de Vietnamezen op de hals halen. Op dit moment kan er heel voorzichtig over worden gesproken en er zijn vijf zoekteams actief. We zijn al blij dat we die medewerking hebben. Elke onvoorzichtige publicatie kan aanleiding zijn dat ze tegen gaan werken en daar kunnen we dan niets tegen inbrengen. Bovendien zijn de verhalen over de POW's vooral gebaseerd op speculaties. Er is geen bewijs. We weten alleen dat er 2400 soldaten niet zijn teruggekomen en dat we niet weten waar ze zijn en of ze nog leven. Misschien zijn ze gevangengenomen, misschien zijn ze op een andere manier verdwenen."

De meest verrassende vraag komt aan het slot: "Ruikt het er nog steeds net zo?" Het effect is buitengewoon. Kreten van instemming, gelach en geschreeuw vullen de zaal. Blijkbaar is er een uiterst herkenbaar punt aangeroerd. Het antwoord sneeuwt onder in het geroezemoes.

Het dia-gebeuren op zich onderscheidt zich nauwelijks van een doorsnee dia-avondje van een vakantiereis. Het is alleen interessant voor degene die de opnamen heeft gemaakt en voor de mensen die er zelf zijn geweest. Af en toe worden er wat kreten van herkenning geslaakt en vragen gesteld over details die voor een buitenstaander niet interessant zijn. Op een bepaalde manier blijft het oppervlakkiger dan je zou verwachten. Dia-schutter Frank heeft ziekenhuizen bezocht waar slachtoffers liggen van agent orange, van bommen en granaten, maar die worden niet getoond. De door agent orange kaalgevreten vlaktes zijn evenmin te zien: er staan vooral veel gebouwen en lachende Vietnamezen op. Is er toch sprake van een soort verdringing?

De foto-albums van Frank Noe liggen ter inzage en die brengen Vietnam ineens heel dichtbij. Ook hier veel lachende mensen, maar dan Amerikaanse jongens van een jaar of twintig. Voor of in hun legertentjes, in uniform of in burgerkledij. Honderden van die soldaten trekken bij het doorbladeren aan je voorbij, en tientallen keren staat er met grote letters bij een foto van zo'n lachende jongen geschreven: R.I.P.

Er is een foto bij van een soldaat die een lijkzak achter zich aan sleept, met op zijn gezicht een uitdrukking die het midden houdt tussen verbazing en ontzetting. In de lijkzak is het lichaam van zijn dode vriend te zien. Op de achtergrond woedt een vuur. De veteraan met het keurige pak, die tijdens het vragenstellen geregeld aan het woord was en bepaald geen botte indruk maakte, staat mee te kijken. Vlak naast die verbijsterende foto met het lijk is een foto te zien van een vrolijke jongen die gekleed in een gigantische kleurrijke onderbroek voor zijn tent staat. "Haha, funny guy! See that picture!"

Aan het eind van de avond komt er een spreker die namens een veteranenorganisatie korting aanbiedt voor oud-soldaten die ook terug willen naar Vietnam. Er blijken nogal wat haken en ogen aan te zitten. Het is de Amerikaanse regering wettelijk verboden Vietnam te steunen, alleen particulier initiatief is toegestaan. Zo zijn er mondjesmaat een paar medische-hulpklinieken ingericht, maar het gaat allemaal uiterst moeizaam. Enige bekendheid kreeg het eenmansproject van Bill Fero, een 38-jarige automonteur, die al voor de vierde keer in twee jaar tijd terug is geweest om medische goederen te brengen.

Fero: "Ik zat barstensvol haat tegen die Vietnamezen. Mijn beide benen werden er afgerukt door een booby trap. Ik ben elf keer geopereerd en twee keer heb ik een poging tot zelfmoord gedaan. Teruggaan naar Vietnam heeft mijn leven heel erg veranderd. Ik ontdekte dat die Vietnamese soldaten in hetzelfde schuitje zaten als wij: ze hadden ook geen keus. In een ziekenhuis in Hanoi heb ik kennisgemaakt met tweehonderd gehandicapte Vietnamese soldaten die voor de communisten hadden gevochten. Onze oude vijanden dus. De meeste van hen waren verlamd. Ze begroetten mij met zoveel liefde dat ik hen niet meer kon haten."

Zo'n veteranen-avondje in Stockton brengt Vietnam ineens dichterbij dan het ooit is geweest, maar een dag later lijkt alles al weer anders. Niet iedereen verwerkt 'Vietnam' zo openlijk. Tijdens een binnenlandse vlucht naar Texas raak ik in gesprek met een andere Vietnam-veteraan, Al Evers uit Los Angeles. Hij was dienstplichtig. Hij wil helemaal niet over de oorlog praten en moet er niet aan denken terug te gaan naar Vietnam. "Ik ben twintig dagen in Vietnam geweest en ik ben twintig dagen doodsbang geweest. Gelukkig raakte ik gewond en mocht ik naar huis. Vooral die helikopters waren vreselijk. Elke keer als je erin moest dacht je: dit is de laatste keer. Er werden er zoveel neergeschoten. Je kon niet zeggen: ik wil niet. Je moest. Ik hoop dat ik nooit van m'n leven weer zo bang hoef te zijn."

De landing in Fort Worth, bij Dallas, is onstuimig. Evers trekt wit weg als het vliegtuig met donderend geweld schuddend en trillend over de baan raast en het zweet breekt hem uit. Met een scheve grijns zegt hij: "Die helikopters waren toch erger."

Het 'veteranisme' is diep geworteld in de Amerikaanse samenleving. Een doorsnee-familie kan zomaar vijf generaties oorlogsveteranen rijk zijn: van opa in de Burgeroorlog, via de Eerste en Tweede Wereldoorlog, Korea en Vietnam tot de achterkleinzoon in Grenada. Uit de Eerste Wereldoorlog zijn nog 114.000 veteranen over; uit de Tweede 9,5 miljoen; uit Korea bijna 5 miljoen en uit Vietnam 8,3 miljoen. De Veterans Administration is een bedrijf met een kwart miljoen werknemers en een jaarlijks budget van 62 miljard gulden. Voor politici zijn de veteranen vrijwel onaantastbaar: een voorstel tot bezuiniging op deze uitkeringen staat gelijk aan politieke zelfmoord. Er worden ook vele miljoenen uitgegeven om openbare gebouwen en het openbaar vervoer toegankelijk te maken voor gehandicapten. Dat is de ene kant.

De andere kant is dat vooral de jongere Amerikanen alleen een soort 'Rambo-beeld' hebben van de veteranen. De William Joiner Center zit in een gebouw op het complex van de universiteit van Massachusetts in Cambridge, bij Boston, maar op het immense complex weet haast niemand dat, zelfs de student die dienst doet als portier bij de toegangspoort niet. Ook de studenten die zich één verdieping lager bevinden dan de Center weten van niets. 'Vietnam-veterans, William Joiner? Never heard of.'

Kevin Bowen ging in 1968 naar Vietnam. Een beetje zoals in het liedje 'Goodnight Saigon' van Billy Joel, dat een paar jaar geleden overal een hit was, behalve in Amerika. "Maar dat liedje gaat over de mariniers, de vrijwilligers, de jongens van 'gung ho en John Wayne'. Ik was dienstplichtig, ik had niet gevraagd om te gaan. Wij waren ook niet zo gewend om bevelen op te volgen zoals zij. Toch geeft dat liedje het dilemma goed weer, er spreekt toch een zeker respect uit voor de Vietnamezen. Ik was toen twintig. De meeste van mijn vrienden waren ook gegaan, 'for better and worse'. Ook wel een beetje uit nieuwsgierigheid. Er was 'a war going on', veel agressie tegen de regering, je wilde toch zelf kijken wat er aan de hand was."

Ondanks zijn 41 jaar is de haardos van Kevin Bowen al helemaal grijs. Door Vietnam? "Misschien. Ik weet het niet. Ik weet wel dat Vietnam een ervaring is die ik graag had willen missen. Kort nadat ik terug was, in augustus 69, ben in actief geworden in de vredesbeweging. Ik moest eerst uitvinden hoe ik weer moest gaan slapen, hoe ik met relaties om moest gaan. In oktober zijn er toen grote demonstraties in Washington en Boston geweest. In het voorjaar van 1970 volgden studentenstakingen. Boston is een universiteitsgebied; hier heeft het vrij hevig gespeeld. In bijvoorbeeld Texas waren de mensen veel minder anti-oorlog."

Lang niet alle veteranen sloten zich aan bij de vredesbeweging. Bowen: "Een heleboel denken wel net als ik over de oorlog, maar er is heel veel agressie tegen de studenten. "Die studenten vermaakten zich met demonstraties en popconcerten (Woodstock), terwijl wij het vuile werk moesten opknappen," vinden zij. De studenten hoefden niet in dienst. Het enige wat wij kunnen doen is: proberen de veteranen een beetje op één lijn te krijgen."

Het thuisfront reageerde merkwaardig op de teruggekeerde veteranen. "De mensen wilden horen wat Amerika daar deed in Vietnam. Maar dan als politiek onderwerp. Ze wilden niets horen over het lijden van de soldaten en de Vietnamezen. Ze wilden kijken naar de manier waarop de regering met het probleem omging. Afstandelijk. In 1975 keerden de mensen zich van Vietnam af, van de gevolgen, van de gehandicapten. Ze keken andere richtingen uit: Zuidamerika, Zuidafrika, verkeerde politiek en samenzweringen in andere landen. Ze draaiden hun hoofd om voor de werkelijke gevolgen van de oorlog in ons eigen land."

Nederland heeft nauwelijks een traditie op het gebied van oorlogsveteranen: de oud-strijders uit de tachtigjarige oorlog zijn reeds lang in de vergetelheid geraakt. Er zijn alleen nog wat veteranen uit Indië maar zij beginnen er nu, veertig jaar na dato, pas mondjesmaat over te praten - en een heleboel zwijgen nog steeds. Heeft Kevin Bowen daar een verklaring voor?

"Ja. Het is moeilijk om over die ervaringen te praten en te geloven dat iemand het werkelijke lijden dat er achter de woorden zit, echt kan begrijpen. Voor de gemeenschap is het moeilijk die trauma's te integreren, de veteranen moeten het zelf uitzoeken. De laatste jaren is die beweging ontstaan van: terug naar Vietnam. Een dialoog aangaan met de mensen die dezelfde ervaring hebben, maar dan van de andere kant. Dat helpt sommigen."

Behalve Sylvester Stallone zijn er maar weinig mensen die 'Vietnam' vooral zien als een positieve ervaring. Bowen: "In de werkelijkheid overheersen woede, eenzaamheid, angst en het verdriet om het verlies van goede vrienden. Wij proberen de publieke opinie over Vietnam te veranderen. Er zijn zoveel misverstanden. Pas de laatste jaren dringt het besef door dat er ook vrouwelijke en zwarte veteranen zijn. Dat waren bijna vergeten groepen."

Het aardige van die Amerikanen is, dat als ze zo’n nieuw probleem hebben ontdekt, ze 't ook meteen groots aanpakken. De televisieserie 'China Beach' is daar een sprekend voorbeeld van. Een special over het echte China Beach en het werk van de vrouwen werd dit jaar bedacht met een hoge onderscheiding.

'Vietnam' was zo ontluisterend omdat het pijnlijk duidelijk maakte dat 'beschaafde' mensen tot de vreselijkste misdaden in staat zijn. Schijnbaar beseften veel mensen dat daarvoor niet. Heeft 'Vietnam' ook de kijk van Kevin Bowen op het menselijk ras veranderd?

"Dat is moeilijk te zeggen. Mijn eigen ervaring is dat je op die momenten niet met je gevoel leeft, maar met je hersens. Het heeft me heel achterdochtig gemaakt over de motivatie van 'de mens in actie'. Ik begrijp nu hoe gemakkelijk het is om in die val te trappen, om mee te doen. Ik had geen mening over goed of fout. Het gebeurde gewoon. Voor een ander deel vind ik het vooral ongelooflijk. Er moet iets beters in ons zijn dan dit, anders is het hele ras kansloos. Er moet iets mis zijn met onze hele manier van bestaan. Het is beangstigend hoe dom we zijn, hoe we ons soms helemaal laten domineren door de donkere kant van onze natuur. Dat dit in de cultuur van de Verenigde Staten kon gebeuren is angstaanjagend. Maar wat mij persoonlijk het meest getroffen heeft is de manier waarop mensen zich ervan af kunnen keren: Vietnam vergeten, niet kijken naar wat er gebeurde. Niemand heeft er iets van geleerd, want dezelfde dingen gebeuren nog steeds."

Na zijn terugkeer in 1969 stortte Bowen zich op een studie literatuur. "Ik begroef me in studie en lezen. Dat was een vlucht voor de herinneringen. Ik leefde erg teruggetrokken, had veel last van nachtmerries en kon moeilijk contacten leggen. In die tijd ben ik ook gescheiden. Vlak voor ik naar Vietnam ging was ik getrouwd. Ik wist toen al dat het niks zou worden, maar het was allemaal zo onwezenlijk."

Sinds 1984 werkt Bowen op de William Joiner Center. "Wij bestuderen oorlog en de sociale gevolgen ervan. William Joiner was een zwarte veteraan uit Guam. Hij werkte bij het vullen van de drums met agent orange, voor de vliegtuigen. Hij kwam direct met het spul in aanraking en dat veroorzaakte een vorm van leverkanker die direct in verband wordt gebracht met het blootgesteld zijn aan dioxine."

In 1981 ging er voor het eerst een groep Amerikanen terug naar Vietnam, maar nog niet zoals later uit therapeutische en vijandvriendelijke overwegingen: het hoofdonderwerp was toen de 'em-ai-ees', nog steeds een gevoelig en precair onderwerp. De afkorting MIA staat voor 'Missing In Action': het gaat om Amerikaanse soldaten die niet terug zijn gekomen uit Vietnam en van wie niemand weet wat ermee is gebeurd. De stille hoop van duizenden Amerikanen is dat hun zoon/vriend/vader/broer nog leeft en bijvoorbeeld nog steeds krijgsgevangene is.

Kevin Bowen: "Die eerste groep, in 1981, ging terug naar Hanoi om MIA te bespreken en ze brachten ook overlevenden mee. Mijn eerste bezoek, in 1986, was er meer op gericht te kijken wat voor uitwisseling we tot stand zouden kunnen brengen. Een van de punten was meer zicht te krijgen op 'het gezicht van de vijand.' We hebben bijvoorbeeld buitgemaakte brieven en dagboeken teruggegeven aan Vietnamese families. Toen heb ik zelf voor het eerst contact gehad met Vietnamese mensen. In 68 was dat er helemaal niet. Toen waren zij de vijand, waren ze verdacht. Wij mochten geen enkel contact hebben met Vietnamezen, ook niet met vrouwen. Er werd gezegd dat het verraders konden zijn, Vietcong-agenten of zo. We zagen ze van een afstand en waren wel nieuwsgierig en geïnteresseerd, maar meer ook niet. Wij hadden geen enkele binding met hun cultuur, we spraken de taal niet. We waren er als soldaat. Het gebied zelf was erg veranderd. Alles is totaal vernield, door bommen, gif en geweld."

Geweld, MIA, bommen: allemaal ingrediënten waar Sylvester Stallone dankbaar gebruik van heeft gemaakt om zijn Vietnam-veteraan Rambo neer te zetten. Wat vindt Bowen van die creatie? "Verachtelijk. Hij gebruikt het image van een outcast-veteraan om een wereldbeeld te propageren dat zegt: we verloren de oorlog door gebrek aan wilskracht. De Vietnamezen worden als een soort 'Unter-Menschen' beschouwd. Dat woord kennen jullie daar in Europa nog wel, denk ik. Rambo is buitengewoon racistisch en fascistisch in zijn boodschap. Naar mijn mening richten deze films enorme schade aan, vooral doordat het meest jonge mensen zijn die ernaar kijken. Toen Sylvester Stallone zelf in Cambridge kwam om een onderscheiding in ontvangst te nemen omdat hij door Harvard was gekozen tot 'man van het jaar' stond er een groep Vietnam-veteranen te protesteren. Jongeren die dat zagen en die kwamen om hun held te zien, begonnen tegen ons te schreeuwen en ons uit te schelden. 'Wij waren niet de echte veteranen, nee, dat was Rambo.' Terwijl Rambo een totaal

verwrongen beeld geeft van de werkelijkheid en dat gebruikt om een zieke kijk op de oorlog en levensgevaarlijke politieke opvattingen te promoten. Het komt erop neer dat wij Amerikanen terug moeten naar Vietnam om alsnog orde op zaken te stellen en dat het fout en slap en de schuld van 'de liberalen' was dat we ons terug hebben getrokken. Dat is hetzelfde als met sommige van die MIA-films: dat zijn net als Rambo 'simpleminded action-movies': gevaarlijk, gemaakt op het imago van een superheld. Jongeren van 19 of 20 jaar, die geboren zijn toen het zich allemaal afspeelde, krijgen een volstrekt verkeerd wereldbeeld. Dat is beangstigend. Er worden geloof ik veel verkeerde films gemaakt over oorlogen. John Wayne, ook zo'n Amerikaanse superheld, maakte in 1968 de Vietnam-film 'The Green Barets' en die heeft dezelfde gevaarlijke boodschap als de Rambo-films. Het gaat steeds over de nobele Amerikaanse missie tegenover de slechte communisten, die martelen en ontvoeren en vrouwen verkrachten, en tegen de zachte Amerikaanse pers die de waarheid niet weet over wat er werkelijk gebeurt. Het zijn een-dimensionale films."

Waarom, denk ik later, waarom hebben we in Nederland niet van die 'een-dimensionale' oorlogsfilms gekregen? Misschien omdat we de laatste eeuwen geen oorlog meer hebben gewonnen en er ook geen enkele kans is dat dat ooit zal gebeuren?

(aanleiding voor het plaatsen van dit artikel is een berichtje in het dagboek van 1 januari 2008)