"Hoofdstuk dertien, "
DRS. JOEP", uit 'De dynastie Van der Valk', naar aanleiding van de arrestatie van Van den Nieuwenhuyzen in oktober 2007.
Aanvankelijk lijkt Gerrit niet zo ingenomen met zijn aanstaande schoonzoon, maar Joep past zich goed aan. De binnenkomer deugt al aan alle kanten. 'Kom maar eens langs,' had Carlita tegen Joep gezegd. Als Carlita hem ziet, staat hij achter de afwasmachine. Zo vader zo dochter: tijdens het eerste afspraakje van Gerrit met Toos, kon het uitje niet doorgaan en stond Toos met een schort voor in de keuken.
Carlita, dochter van Gerrit en Toos van der Valk, doet in eigenzinnigheid en daadkracht niet onder voor haar vader. Als ze 19 is runt ze in d'r eentje motel Nuland. Ze trekt zich weinig aan van de tien geboden van vader Gerrit, waarvan het eerste luidt: gij zult niet studeren (en het tweede, daaraan gelijk: wie niet werkt zal ook niet eten). Carlita durft het aan met een student thuis te komen. Een student economie: Josephus Antonius Johannes ('zeg maar Joep') van den Nieuwenhuyzen.
Gerrit schijnt tegen Joep te hebben gezegd, toen hij serieuze plannen maakte met Carlita: 'Je mag haar hebben als je nu stopt met dat gekke geleer van je en eens echt aan het werk gaat.' Joep laat niettemin al snel weten niets te voelen voor een carrière in de horeca. Hij ziet zijn kans schoon als schoonvader Gerrit anno 1983 in zijn maag zit met de Machinefabriek Stramproy, een bedrijf dat een paar keer staalconstructies heeft verzorgd voor motels. Van der Valk heeft de gebouwen van het noodlijdende bedrijf in onderpand gekregen, maar daar wordt ook niemand vrolijk van. Een faillissement dreigt. Joep gaat een paar weken rondneuzen in het bedrijf en komt tot de conclusie dat het weliswaar een chaos is, maar dat het nog wel te redden is.
Hij krijgt de aandelen van zijn schoonvader, die hem ook geld leent om de zaak op orde te krijgen, en dat lukt allemaal verbluffend snel. Amper drie weken na de overname van de Machinefabriek Stramproy neemt hij voor een miljoen gulden de Vlaamse Machinefabriek Lanklaar over. Om aan ijzer te komen koopt hij er een fabriek in Luik bij. Binnen een jaar maken de drie bedrijven winst en is Joeps naam als 'bedrijvendokter' gevestigd. Vanaf dat moment staan de noodlijdende bedrijven te dringen op zijn stoep.
Het kan verkeren. Twaalf jaar later schrijft De Volkskrant in een terugblik op de carrière van Joep dat deze 'via de beruchte horeca-familie Van der Valk zijn intree in de metaalwereld heeft gemaakt.' En in de Image Top Honderd van het Financieel Economisch Magazine van juli 1995 eindigt het bedrijf van Joep, Begemann, helemaal onderaan, nog net iets lager van Van der Valk.
Joep maakt een vliegende start in de metaal. Later komen er allerlei andere bedrijven bij. Op eigen kracht weet Joep een imperium op te bouwen dat op het hoogtepunt 140 bedrijven telt. 'Hij heeft zich ontwikkeld tot het stramien dat ik van hem verlangde,' zegt Gerrit later.
Joep is overigens de eerste om toe te geven dat je alleen met studie niet ver komt. 'Ik heb wel enkele jaren economie gestudeerd in Tilburg, maar met welke economische theorie verklaar je het volgende: in Nuland, een gat in de provincie waar nog nooit iemand van gehoord heeft, tweeduizend inwoners, langs de rijksweg Oss-Den Bosch, gaat op een goede dag Van der Valk zitten. Er zijn al vijf zaken. Dan moet je toch gek zijn? Toch slaat het aan. Het gebeurt gewoon.'
Een soortgelijke formule lijkt ook voor zijn bedrijven te werken: alles wat Joep aanraakt verandert in goud. Een van zijn grootste successen is de overname van Begemann. In de zomer van 1985 laat de dan 29 jaar jonge Joep zijn oog vallen op de Koninklijke Nederlandsche Machinefabriek v.h. E.H. Begemann in Helmond, een bedrijf dat pompen en machines produceert. In het eerste halfjaar van 1985 lijdt het bedrijf een verlies van 5,8 miljoen gulden. De commissarissen stappen naar huisbankier Amro, om te vragen wat die daar aan denkt te doen. Niets dus. De bank weigert geld op tafel te leggen en er wordt surséance, uitstel, van betaling gevraagd. Er zijn wel bedrijven die Begemann willen overnemen, maar dan alleen het gezonde stuk: de pompen. Het staal mag verzuipen. Joep ziet het allebei wel zitten en op 17 juli 1985 zijn de Brabanders zo blij als met carnaval, als de kranten met grote koppen het nieuws brengen: Particulier Koopt Begemann. Aankoopprijs: 2 miljoen gulden.
Vriend en vijand zijn het er over eens dat de Koninklijke Begemann Groep op onnavolgbare wijze door bedrijvendokter Joep is opgestoten tot een internationaal vooraanstaand Nederlands industrieel concern. Daarvóór was het een onbeduidende metaalfabriek. Eind 1989 slaat Joep wederom een grote slag: Begemann koopt het bedrijf Holec,een fabrikant van motoren en elektrische uitrustingen voor treinen, met een omzet van bijna 500 miljoen gulden. Dat is meer dan twee keer zo groot als de omzet van de hele Begemann Groep op dat moment. Holec is wat in de versukkeling geraakt en de eigenaren zijn allang blij dat Joep de zaak wil overnemen. Ze laten zich betalen in aandelen Begemann.
In 1991 bereikt het Joepisme een hoogtepunt als Van den Nieuwenhuyzen een akkoord met de overheid bereikt over de overname van de scheepswerf RDM, de Rotterdamse Droogdok Maatschappij. Zelfs de in financiële kringen alle gezaghebbende The Wall Street Journal krijgt nu aandacht voor Begemann. Joep wordt geportretteerd als de whizz-kid van de Nederlandse industrie. Maar diezelfde gerenommeerde krant belicht tussen de bedrijven door ook een schaduwkantje van de wonderboy. En dat schaduwkantje, betreffend een mislukt privé-avontuur, is het begin van een neerwaartse lijn die sindsdien niet meer omhoog te krijgen is. Dat is niet de schuld van de krant, maar van de Amsterdamse effectenbeurs, zo weet Joep. Die tussen de bedrijven door ook nog 10 miljoen verliest met de Krant Op Zondag, het avontuur van Pieter Storms dat na een half jaar mislukt.
Het mislukte privé-avontuur, waarvan de Wall Street Journal rept, betreft het automatiseringsbedrijf HCS Technology. Samen met paardenhandelaar Leon Melchior en Erik Albada Jelgersma, eigenaar van de supermarktketen Unigro, koopt hij een belang van 50 procent in het kwakkelende HCS. (De familie Albada Jelgersma kwam in 1987 in het nieuws, toen op 10 februari van dat jaar de tienjarige dochter Valérie uit het ouderlijk huis in Laren werd ontvoerd, door een 37-jarige man uit Etten-Leur en diens 27-jarige compagnon uit Zevenbergen. Ze eisten een losgeld van 4 miljoen Duitse Marken. Het doodsbange meisje werd twaalf dagen lang onder erbarmelijke en uiterst bedreigende omstandigheden vastgehouden in de woning van de hoofdverdachte. Er werd geen losgeld betaald: de politie was de ontvoerders al snel op het spoor. Beide mannen werden tot negen jaar gevangenisstraf veroordeeld.)
Er rust geen zegen op HCS. Het bedrijf gaat uiteindelijk failliet en dat kost Joep privé enkele tientallen miljoenen. Ernstiger is dat in augustus 1991 de Amsterdamse beurs een onderzoek instelt naar een transactie met aandelen van HCS. In 1994 behandelt de rechtbank in Amsterdam de zaak. Joep en zijn vrienden worden beschuldigd van handel met voorkennis. Ze hadden in 1991 een reddingsoperatie op touw gezet waarbij ze grote pakketten aandelen van HCS dumpten op de beurs, na nachtelijk overleg met de banken, waarin overeenstemming was bereikt over een broodnodige kapitaalinjectie voor HCS. Joep 'dumpte' in zijn eentje al voor 4,1 miljoen gulden. In oktober 1994 wordt hij door het Amsterdamse gerechtshof veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden en een boete van 100.000 gulden.
In juni 1995 vernietigt de Hoge Raad dit vonnis en verwijst de zaak naar het gerechtshof in Den Haag, dat de affaire op 5 en 6 maart 1996 hoopt te behandelen. Joep lijkt dan van alle blaam gezuiverd, maar het onheil is geschied: zijn goede naam is te grabbel gegooid. In 1990 telt Begemann 140 dochterondernemingen met een omzet van 1,35 miljard gulden en 7300 werknemers. In dat jaar bereikt de aandelenkoers een hoogtepunt van ¦ 191, wat erop neerkomt dat Begemann ongeveer 800 miljoen waard is. Het belang van Joep en zijn broer Jeroen bedraagt circa 400 miljoen. Door het onderzoek dat de beurs instelt, loopt de reputatie van Begemann en in het kielzog de naam van Joep onherstelbare averij op. De aandeelhouders vertrouwen het ineens niet meer, zien Joep als een manipulant. Met name Angelsaksische beleggers laten Begemann als een baksteen vallen. Binnen enkele maanden zakt de koers naar 115 gulden. De financiers raken ongerust en trekken aan de bel. Er zet een niet meer te stoppen neerwaartse spiraal in.
Noodgedwongen begint Joep aan de afbraak van zijn levenswerk. De ene tegenvaller volgt de andere op: een grote order van de NS gaat niet door, de RDM krijgt géén duikbootorder uit Taiwan. De pompen en het staal in Helmond wekken steeds meer weerzin op bij de omwonenden. De bedrijfshal van Begemann Staal gaat tegen de vlakte. En de koers blijft dalen. Van 84 gulden in 1992 naar 52 in 1993 en 20 in 1994. Tijdens de behandeling van de HCS-affaire komt, tot overmaat van ramp, nog een tweede 'voorkennis-zaak' aan het licht: rond de handel in aandelen Begemann, vlak voor de overname van de RDM in 1991. Volgens Joep is deze zaak er 'met de haren bijgesleept' om de HCS-zaak wat sterker te maken.
In januari 1996 vraagt de officier van justitie vrijspraak voor Joep, in de HCS-zaak. De officier laat zich vooral leiden door het oordeel van de door hem aangewezen deskundige, mr. J. Panjer, de voorzitter van de Vereniging van Beleggingsanalisten. Diens conclusie: er was geen sprake van koersgevoelige informatie. Joep maakt van de gelegenheid gebruik fel uit te halen naar het Openbaar Ministerie en de Amsterdamse effectenbeurs. 'Het controlebureau en het OM hebben er kennelijk bewust op gespeculeerd dat een tweede voorwetenschapzaak bovenop HCS dodelijk zou zijn voor de reputatie van Begemann en van mij. De schade die is aangericht, is onherstelbaar.'
Via faillissementen en een reeks desinvesteringen komt er pas in 1996 weer een beetje licht in het Begemann-donker. Joep zit dan al op Curaçao en besluit zich alleen nog met de RDM bezig te houden. Hij ziet om in wrok. 'Door die RDM-zaak zijn er honderden banen verloren gegaan en is er voor honderden miljoenen schade aangericht.' Hij geeft een voorbeeld. 'Ik heb een gesprek gehad met een minister-president van een Verre-Oostenland, die zei: "Joep, Nederland is toch geen bananenrepubliek, er moet toch iets mis zijn als je twee keer voor misbruik van voorwetenschap wordt vervolgd? We schorten het zakendoen met jou maar even op."'
Waarschijnlijk doelt Joep op de geplande beursgang van dochter Bredero Price naar de beurs van Singapore, die op het laatste moment werd afgeblazen. Als Joep laat doorschemeren dat de schade die hij geleden heeft door het optreden van de Amsterdamse beurs en justitie niet noodzakelijkerwijs hoeft worden vergoed in de vorm van een financiële genoegdoening, gokt De Volkskrant erop dat Joep aast op een standbeeld, een leerstoel, een ridderorde of een functie als rechtbank-president.
Diezelfde krant doet half februari 1996 verslag van een toespraak die Joep heeft gehouden voor een groep enthousiaste Nijmeegse studenten. 'Ik ben toe aan een nieuwe uitdaging,' zegt hij, 'en de mooiste uitdaging is er een die je niet kan winnen.' Hij doelt daarmee op de RDM. Joep ziet het niet somber in, 'anders zou ik er niet aan begonnen zijn,' maar hij denkt wel dat hij in een no win-situatie verkeert: 'Als ik het fout doe, komt het commentaar: "Altijd al gezegd dat het met RDM niks kon worden". Doe ik het goed, dan is het: "Die boef heeft zich weer mooi bedeeld".
De toespraak voor de studenten zou gaan over het Nederlandse industriebeleid, maar onvermijdelijk komen Joeps eigen ervaringen met de overheid, de financiële wereld en justitie aan de orde. Over de HCS-affaire, die Joep een vermogen en zijn reputatie kostte, zegt Joep dat hij van het begin af aan wist dat misbruik van voorkennis niet te bewijzen zou zijn. Op de vraag waarom de beurs en justitie de zaak dan toch zo hoog hebben opgespeeld, zegt Joep: 'Ik vermoed dat het een geregisseerde aanval is geweest, omdat ik in een betrekkelijk korte tijd een behoorlijke machtspositie had opgebouwd. Ik was in staat voor alle dochters die onder Begemann hingen, een afzonderlijke, zelfstandige financiering te regelen. Begemann zelf bleef buiten schot en was niet aansprakelijk voor het geval het mis mocht gaan. Dat was in die tijd nog uniek. Veel andere industriële conglomeraten wilden dat ook wel, maar kregen het niet gedaan van hun banken. Het gevolg was kinnesinne. Als ik weer een bedrijf wilde overnemen, zeiden ze tegen me: doe het niet. Jawel, zei ik dan. Dan trek ik uw financiering in, zeiden ze. Dan ga ik naar buitenlandse banken, die staan te springen, bracht ik daar tegenin. We krijgen u nog wel, zeiden ze toen. En ik moest daar om lachen, want ik wist nog niet hoe ze me te pakken konden nemen. Nu lach ik er niet meer om.'