Header image  
logo2
logo3
 
 

Het asbestverleden van Ferdi E.

Op maandag 7 november 1988 dient de zaak-Heijn in Hoger Beroep, bij het Hof in Amsterdam. President is mr. R.H.L. Cornelissen. De voorstelling kan beginnen! Zo kondigt een parketwacht de binnenkomst van Ferdi E. in de rechtszaal aan. Er valt een gespannen stilte als de kleine bleke man naar zijn stoel loopt. Als hij zit kijkt hij even naar het publiek in de zaal. Zijn blik kruist die van mevrouw Hank Heijn, de weduwe van de vermoorde Gerrit-Jan. De spanning wordt gebroken door een stem van de publieke tribune: Kan er een raam open, we vallen flauw hier!

De sfeer is haast gemoedelijk. Anders dan bij de zitting in Haarlem, op 1 juli, wordt in dit Hoger Beroep bijna alleen over de zieleroerselen van de ontvoerder gesproken. In Haarlem lag meer nadruk op de toedracht van de ontvoering. Maar omdat de feiten duidelijk zijn ging de rechtbankpresident daar nu niet op in. En terwijl de vragen vanaf de rechtersstoel steeds bitser werden, geraakte Ferdi meer en meer op zijn praatstoel.


Rechter: Wat is de reden dat u in hoger beroep bent gegaan?


Ferdi E.: Ik heb het gevoel dat men te weinig rekening heeft gehouden met mijn psychische omstandigheden.


Rechter: U heeft de feiten bekend. Het hoger beroep is alleen ingesteld vanwege de toegepaste strafmaatregelen. Kunt u dat verder uitleggen?


Ferdi E.: Dat vind ik heel moeilijk. Ik kan u vertellen waarom ik het moeilijk vind. Dat is via een omweg een antwoord op uw vraag. Ik heb sterk de neiging dat ik achteraf de regisseur wil zijn van alle dingen die ik gedaan heb. Het is heel moeilijk te zeggen wat mijn geestelijke gesteldheid was. Ik denk dat de rechtbank daar te weinig rekening mee heeft gehouden.


Rechter: U dacht zelf de regisseur van uw leven te zijn, maar dat was minder dan u gedacht hebt. In het psychiatrisch rapport hebt u zichzelf in grote lijnen herkend?


Ferdi E.: Ik herken er veel in van wat mij in de loop van mijn leven door anderen is verteld. Het zelfbeeld dat iemand van zich heeft hoeft niet overeen te komen met wat je zelf denkt.


Rechter: Een van de grote pijlers is geworteld in en gegrond op uw opvoeding en jeugd. U bent van jongsaf aan gewend gevoelens af te schermen en u daartegen te pantseren. U bent vervreemd geraakt van uw eigen gevoelsleven en dat komt voort uit de wens dat u als enige heerschappij over uzelf kunt hebben. Het tonen van emoties ziet u als het grijpbaar worden voor anderen. Tijdens het hele proces van de ontvoering bent u min of meer buiten uzelf komen te staan. U hebt de gevoelens en emoties niet beleefd, maar verstandelijk benaderd.


Ferdi E.: Ik kan het volgen, maar ik had het tien jaar geleden zelf niet zo gedacht. Het is me verteld en duidelijk gemaakt. Ik ben nieuwe gezichtspunten ten aanzien van mijzelf gaan zien. Ik kan dat volgen.


Rechter: U hebt gezegd: van jongsaf aan keer ik mijn gevoel om voordat het zich openbaart. Wat bedoelt u daarmee?


Ferdi E.: Het is niet alleen geweest dat ik mijn gevoel heb afgeschermd, ik heb de gevoelens van een van mijn opvoeders tot de mijne gemaakt. Ik heb meer het gevoel gehad dat ik twee personen was.


Rechter: Die opvoeder drong zich in uw leven in.


Ferdi E.: Nog steeds.


Rechter: De tweede pijler, de oorzaak van uw afweermechanisme, wortelt ook in het verleden. Aan de ene kant ben u hoogbegaafd, aan de andere kant bent u zich daar zeer goed van bewust. Het koketteren met, het exhibitioneren van uw intellectuele vaardigheden, uw ambitie, duiden daarop. U bent zeer ijdel. Met als logisch gevolg dat u overgevoelig bent voor kritiek, dat u zich snel beledigd voelt, en niet kunt verdragen tekort te schieten, te falen. Is dit iets dat u aanspreekt?


Ferdi E.: Ik denk dat dat beledigd voelen nauwelijks speelt. Ik heb zeer sterk de neiging dat te rationaliseren.


Rechter: Maar die Vier van Nijmegen, die wraakgedachten, was dat ook niet een soort beledigd voelen? U verweet het toch die anderen?


Ferdi E.: Het was meer dat ik me verraden heb gevoeld.


Rechter: Dat ligt toch dicht bij elkaar?


Ferdi E.: Ik maak wel onderscheid.


Rechter: Het is toch een feit? Het is toch een van de twee belangrijkste pijlers: ijdelheid en het afweermechanisme?


Ferdi E.: (zwijgt)



Rechter: Voor uw ingenieursdiploma hebt u enige tijd stage gelopen bij Fokker. Later bent u verkoopleider geweest bij Eternit in Amsterdam. U kon daar met de chef niet goed overweg. U had ten aanzien van die man agressieve dromen, waarin hij onthoofd werd en u dat hoofd begroef.


Ferdi E
.: Ik kan mij dat niet herinneren, maar mijn vrouw wel.


Rechter: Toen bent u naar Indonesië gegaan. Dat is een zeer grote teleurstelling geworden. Met de algemeen directeur had u grote problemen. Ik laat nu maar in 't midden aan wie dat heeft gelegen. Van de zomer tot de winter van 1974 hebt u gedacht en gedroomd de directeur van Eternit te ontvoeren. U hebt ook de opwelling gehad hem te vermoorden. U wilde hem dwingen naar u te luisteren. U hebt het beeld gezien dat hij gegijzeld werd in een rioolbuis. Volgens het psychiatrisch rapport is het debâcle in Indonesië het voorspel geweest van wat er later in Nijmegen is gebeurd. Ziet u dat zelf ook zo?


Ferdi E.: Ik denk dat je 't moeilijk anders kúnt zien.


Rechter: Voor die Indonesische kwestie hebt u psychiatrische hulp ingeroepen. Wat is daar de reden voor geweest? Omdat u in de knoei zat, of met het oog op die wraakgedachten?


Ferdi E.: Ik weet het niet precies meer. Mijn vrouw en ik hebben samen hulp gezocht. Ik was heel moeilijk om mee te leven. Wat mij in Indonesië overkomen was had veel van mijn aandacht, daar was ik veel mee bezig.


Rechter: Die gevoelens en gedachten over gijzeling en ontvoering, schrok u daar zelf niet van?


Ferdi E.: Ik denk dat het duidelijk was dat het om gevoelens van verraden voelen ging. Wat me dwarszat was dat het zoveel van mijn aandacht opslorpte en me buiten mezelf bracht af en toe.


Rechter: Meer dan 't van uzelf schrikken?


Ferdi E.: Als het gevoel van verraden voelen er niet is, is het andere er ook niet meer.


Rechter: Iedereen heeft ongetwijfeld bij al dan niet vermeend onrecht wraakgedachten. Maar bij u was het excessief.


Ferdi E.: Of dat toen zo was weet ik niet. Er is toen niks gebeurd.


Rechter: U had er misschien van kunnen schrikken.


Ferdi E.: Dat ben ik ook wel met u eens. Maar als je in een land als Indonesië rondkijkt, zie je zoveel ellendige dingen, zoveel verschrikkelijks in de ogen van een westerling, dat je van gewelddadige gedachten niet zo schrikt.


Rechter: In mei 1982 bent u als zelfstandige begonnen met het Nieuwe Banenprojekt in Nijmegen. U hebt grote problemen gekregen met uw bestuur. Vier bestuursleden hebben een eigen stichting opgericht en de subsidie van Sociale Zaken opgestreken. U hebt een proces aangespannen, dat hebt u verloren. U bleef achter met haatgevoelens jegens die Vier van Nijmegen. U had veel geld nodig, want dat zou u in staat stellen wraak te nemen zonder dat de relatie tussen u en die vier zou worden gelegd. U zocht naar mogelijkheden om te doen voorkomen dat u op het bewuste moment zelf ergens anders was. U moest iets organiseren. Een autobom, of een handgranaat die uit een radiografisch bestuurd vliegtuigje zou worden gegooid. U bent toen weer naar de psychiater gegaan. Het aanbod van die psychiater voor individuele gesprekken hebt u afgewezen.


Ferdi E.: Het is meer zo dat de psychiater het idee had dat dat zinvol was. Ik was erheen gegaan op aandrang van mijn vrouw.


Rechter: U vond het zelf niet zo nodig?


Ferdi E.: Nee, ik vond het zelf niet nodig.


Rechter: Die beide gevallen waarin u hulp hebt gevraagd van een psychiater, was dat meer op aandrang van uw vrouw?


Ferdi E.: Ik denk het wel.


Rechter: U had uiterst vergaande wraakgevoelens. Was het niet beter geweest dat u zelf om psychiatrische hulp had gevraagd?


Ferdi E.: Als u 't mij nu vraagt, zeg ik: vanzelfsprekend. Maar toen niet.


Rechter: Hoe kon u weten dat u voor die plannen zeer veel geld nodig had? Er waren toch geen concrete plannen?


Ferdi E.: Als plannen niet geconcretiseerd zijn, maar als je wel flitsen van ideeën hebt, dan weet je globaal wel wat voor middelen je nodig hebt en kun je de conclusie trekken: zonder, met een beetje, of met veel geld.


Rechter: Bij u was het: zeer veel geld.



Ferdi E.: Dat klopt.


Rechter: De omzetting van de wraakgevoelens in daden zou zeer beslist zeer gewelddadig zijn. Ik heb die fantasieën nog wel eens, hebt u gezegd. U bent een plan gaan uitwerken om aan geld te komen.


Ferdi E.: Ik denk dat dat overwegend juist is. Ik denk dat het overwegend zo is in de mate waarin u de causale verbanden legt. Ik zou achteraf nooit van mezelf goed kunnen vinden dat ik op deze manier wraak heb genomen. Maar ik heb het gedaan. Ik kan er niets zinnigs over zeggen.


Rechter: In juli 1987 zijn de ideeën concreet op de heer G.J. Heijn gericht. Tot in de kleinste details hebt u alles voorbereid, overwogen en bedacht. Is het nooit bij u opgekomen dat het nuttig zou zijn om hulp te zoeken?


Ferdi E.: Nee.


Rechter: Geen moment?


Ferdi E.: Nee.


Rechter: De heer Heijn was een instrument, een willekeurig welgesteld persoon. Het enige doel was in het geld gelegen. Om de wraakactie te financieren. U hebt in twee werelden geleefd. Het hele voltooien van het delict hebt u als een militaire operatie gezien. Dat kan ik niet volgen. Als je zolang bezig bent, dan zult u zich de gevolgen toch ook wel eens hebben voorgesteld?


Ferdi E.: Ik denk het niet. Ik had zoveel aandacht nodig om te zorgen dat ik thuis als een normaal lid van het gezin functioneerde. Alles moest zo snel mogelijk. Mijn overwegende zorg was dat niemand thuis iets zou merken.


Rechter: Ik bedoel: u zult er toch af en toe enig gevoel bij hebben gehad. U had besloten de heer Heijn dood te schieten. U hebt zich toch gerealiseerd dat meneer Heijn net als u ook vrouw en kinderen had? U hebt zich toch wel eens afgevraagd wat zijn vrouw en kinderen daarvan zouden denken? Of hebt u daar geen moment bij stilgestaan?


Ferdi E.: Nee. Pas aan het eind, toen mevrouw Heijn de oproep heeft gedaan aan de ontvoerders. Ik heb dat zelf niet gehoord, maar een paar dagen later in de krant gezien. Daar heb ik wel op gereageerd, maar ik heb dat zoveel mogelijk van me afgeduwd. Dat was de eerste keer dat er iets tot me doordrong.


Rechter: U bent meer technisch bezig geweest. U hebt een wiskundig berekend kistje gemaakt voor het losgeld(Een vierde-klas-lagere-school-sommetje, hebt u bij de politie gezegd); u hebt regenkleding meegenomen voor de heer Heijn. Het zou wel eens kunnen regenen. U wilde niet dat hij nat zou worden. U hebt ook zorgvuldig vermeden dat hij in de kofferbak zou kijken. U wilde hem niet laten schrikken. Dat was toch een kwestie van gevoelens?


Ferdi E.: Ik weet niet of dat gevoelens waren of uitgangspunten. Ik herinner me dat het gebeurde, dat ik die jas meenam, maar dat was meer het idee dat ik niet wilde dat hij nodeloos zou lijden. Hoe verschrikkelijk het ook klinkt. Ik heb hem vermoord, dat realiseer ik me nu. Maar als ik ruzie met iemand zou hebben en als ik gewonnen had, zou ik niet nog een extra schop geven. Dat zou onnodig zijn, daar zou ik geen tijd aan besteden. Als ik last heb van een mug die me prikt, sla ik hem dood, maar dan zou ik hem niet ook nog de vleugeltjes uittrekken. Dat zou extra naar zijn.


Rechter: U spreekt met de heer Heijn over muziek, over de kinderen. U hebt zelf kinderen. Hebt u niet gedacht: meneer Heijn heeft ook kinderen, ik ga hun vader vermoorden. Hebt u zich daar helemaal niet in verplaatst?


Ferdi E.: Dat heb ik niet gedaan.


Rechter: Het ging langs u heen?


Ferdi E.: In zekere zin ging het langs me heen. We waren met elkaar in gesprek.
Rechter: Hebt u in de loop van de dag geen moment gedacht: ik moet hiermee stoppen?


Ferdi E.: Nee.


Rechter: Geen moment?


Ferdi E.: Nee.


Rechter: In 1986 hebt u een geweer gekocht in België. Wat was de bedoeling daarvan?


Ferdi E.: Dat weet ik niet precies.


Rechter: U bent er twee keer voor naar België geweest. Bij de verhoren hebt u wel een reden genoemd.


Ferdi E.: Ik kan het me niet herinneren. Het zal wel. Ik heb ontzettend veel verteld. De eerste keer was ik een beetje over mijn toeren. Het had zeker te maken met de Vier van Nijmegen. De tweede keer was het meer om tegenover mijzelf te bewijzen dat ik het kon, dat het lukte.


Rechter: Nadat u de heer Heijn had vermoord bent u naar huis gegaan en vrij direct in slaap gevallen.


Ferdi E.: Ik moest nog wel eerst een heleboel dingen doen.


Rechter: U hebt niet gedacht: God, wat heb ik gedaan?


Ferdi E
.: Nee.


Rechter: Ja, meneer E., toen bent u begonnen met de afpersing. Dertien brieven hebt u geschreven. De eerste twee aan mevrouw Heijn. Als u zegt: ik wil iemand niet nodeloos laten lijden, dan zeg ik: die brieven waren nodeloos wreed.



Ferdi E.: Dat ben ik helemaal met u eens. Ik kan het niet verklaren. Ik heb er geen moment aan gedacht.


Rechter: Dat is merkwaardig. Dat klopt toch niet?


Ferdi E.: Naar mijn idee heb ik het toen niet als nodeloos gekwalificeerd. Maar er staan passages in die brieven die achteraf helemaal niet nodig waren geweest.


Rechter: Die brief waarin u zijn bril opstuurt en schrijft dat hij straf heeft verdiend... Hebt u zich geen moment afgevraagd wat voor indruk dat zou maken op de familie?


Ferdi E.: Nee.


Rechter: En u hebt het zich ook niet verstandelijk voorgesteld?


Ferdi E.: Binnen die operatie waren die brieven het middel om tot het doel te komen, dat wel.


Rechter: U hebt zich geen moment afgevraagd: als iets dergelijks bij mijn eigen vrouw zou binnenkomen?


Ferdi E.: Nee.


Rechter: U stuurt een brief met een deel van de pink, met de sadistische mededeling dat hij voorlopig niet meer piano kan spelen. Dat is toch een extreme gruwelijkheid. Het is haast niet voorstelbaar dat u zich dat niet hebt gerealiseerd.


Ferdi E.: Ik heb me dat niet gerealiseerd.


Rechter: Ik zeg dat ik me dat haast niet kan voorstellen. Het was een weldoordachte wreedheid

.
Ferdi E.: Het vormde een onderdeel van de militaire operatie. Het was niet de bedoeling wreed te zijn, maar het was nodig om het doel te bereiken. Er waren twee niveaus.


Rechter: Ik vraag u of u niet kunt onderschrijven dat het wrede, weldoordachte wreedheid was. Gewoon, ik vraag u dat.


Ferdi E.: Ja.


Rechter: Hetzelfde kan gevraagd worden van die laatste brief, waarin u de suggestie doet dat de heer Heijn met Kerstmis thuis kan zijn. Ik wil u dat graag horen zeggen. "



Ferdi E.: (zwijgt)


Rechter: Er gebeurt nog iets dat verbazingwekkend is in uw militaire operatie. U begint met Sinterklaas al geld uit te geven. Hoe komt dat? Was dat niet gepland?


Ferdi E.: Het plan liep tot de incassering van het losgeld, daarna was er geen plan.


Rechter: U wilde het geld toch in Duitsland inwisselen?


Ferdi E.: Ik had er wel ideeën over, maar het was geen plan.


Rechter: Dat u 't bent gaan uitgeven, was dat uit geldgebrek?


Ferdi E.: Het is niet overwegend uit geldgebrek geweest. Er was gewoon niets meer. Er was geen plan meer.


Rechter: Hield u er rekening mee dat de biljetten genummerd zouden zijn?


Ferdi E.: Dat nam ik wel aan. Maar ik was gefocust op het plan.


Rechter: Volgens het psychiatrisch rapport bent u verminderd toerekeningsvatbaar. Ook al zou dat waar zijn, dan betekent dat toch nog dat u een onnoemelijk groot verwijt treft. U hebt zich schuldig gemaakt aan strafbare feiten van de ernstigste categorie. U hebt rücksichtslos inbreuk gemaakt op het leven van een ander. Niet in een opwelling, in woede, maar heel doordacht en gepland. Tegen iemand die u totaal niet kende. Vindt u niet dat u een zeer groot verwijt treft?


Ferdi E.: Jawel.


Rechter: De door mij begane delicten hebben niets opgelost. De wraakgevoelens zijn zeker niet verminderd, hebt u gezegd. Kunt u daar iets over zeggen?


Ferdi E.: Wat zou ik erover moeten zeggen?


Rechter: Misschien iets over vertellen?


Ferdi E.: Dergelijke gedachten flitsen door me heen, maar niet elk moment van de dag dat ik wakker ben.


Rechter: Vindt u dat er enige vorm van behandeling nodig is?


Ferdi E.: Ik weet niet of het nodig is. Maar als het zou helpen is het uiterst welkom.


Rechter: Uiterst welkom? Dringend nodig! Als u straks op vrije voeten komt, wat denkt u dan te gaan doen?


Ferdi E.: Dat kan ik niet precies beoordelen.


Rechter: Het gaat niet om het beoordelen, maar of u daar geen angst voor hebt. Uiterst welkom: dat vind ik een uiterst zwakke benaming. Maar nogmaals: u bent aan het woord.


Ferdi E.: Vanuit de samenleving bekeken is het een strikte noodzaak. Vanuit mijn kant zijn er twee dingen...


Rechter: U kunt dat niet splitsen. Als het gevolg zou zijn dat ik lekkerder in mijn vel kom te zitten, voel ik er wel voor, hebt u gezegd. Maar het gaat erom: de maatschappij moet tegen u beschermd worden.


Ferdi E.: Ik denk dat als de gevoelens dat je je verraden voelt niet meer als motor fungeren, dan zijn die andere dingen er ook niet.


Rechter: Echt berouw ontbreekt. Met de psychiater hebt u eerst van tevoren de termen spijt en berouw geijkt. Is dat nog zo?


Ferdi E.: denk dat ik nu wel berouw heb. Ik heb berouw.


Rechter: Ziet u dat ook gevoelsmatig in, of van een afstand, alsof u 't zelf niet bent. Zijn er momenten dat u gevoelsmatig voelt wat u gedaan heeft?


Ferdi E.: Ja.


Rechter: Wat denkt u dan?


Ferdi E.: Er zijn momenten dat ik dat voel.


Rechter: Ik begrijp dat u de behandeling wilt ondergaan. Wat hoopt u dan met dit hoger beroep te bereiken?


Ferdi E.: (lange stilte). Dat als ik... dat als ik vast blijf zitten, dat dat van tijdelijke aard is en dat ik, als ik weer in de samenleving kan zijn, nog energie heb om iets te doen dat zin heeft.


Rechter: U hoopt dat de gevangenisstraf lager wordt.


Ferdi E.: En ook dat de behandeling spoedig kan beginnen. Er is een termijn voor genoemd van vier tot zes jaar. Als daar nog een hele gevangenisstraf achteraan komt, heeft dat een omgekeerd effect als de behandeling.


Rechter: De Haarlemse Officier van Justitie heeft gezegd: uitgaande van een behandelingstermijn van vier tot zes jaar zou u met dertien jaar vrij zijn. Hij vond dat te kort.


Ferdi E.: Dat weet ik niet meer.' Een van de andere rechters stelt enkele aanvullende vragen.


Rechter: Had u de trein nog kunnen laten stoppen, als u dat had gewild?


Ferdi E.: De wil zat in de trein.


Rechter: Een trein heeft een noodrem.


Ferdi E.: Ik denk dat er in deze trein geen noodrem zat.


Rechter: Vindt u van uzelf dat u in uw onderneming geslaagd bent?


Ferdi E.: Het heeft niets opgelost. Ik denk dat het gefaald heeft.


Rechter: Dat had u toch tevoren zelf ook kunnen bedenken?


Ferdi E.: 't Is misschien zo dat ik het zelf had kunnen bedenken. Dat is bij alles zo in dit leven, dat je 't achteraf kunt bedenken.


Rechter: Bent u er bewust aan begonnen?


Ferdi E.: Daar kan ik toch geen ja of nee op zeggen?


Rechter: Ik zou niet weten waarom niet.


Ferdi E.: Omdat ik van mezelf de neiging heb dat ik baas over mijzelf moet blijven. Ik kan niet anders dan ja zeggen.

Tot zover de ondervraging. Het naar mijn idee meest cruciale gedeelte schuilt in de volgende dialoog, die ik derhalve even herhaal:


Ferdi E.: Het is niet alleen geweest dat ik mijn gevoel heb afgeschermd, ik heb de gevoelens van één van mijn opvoeders tot de mijne gemaakt. Ik heb meer het gevoel gehad dat ik twee personen was.


Rechter: Die opvoeder drong zich in uw leven in.

Ferdi E.: Nog steeds.

Wie was die opvoeder? In alle verhalen over serie-, massa- of wat dan ook moordenaars keert altijd de rol van de moeder terug. Ze is te beschermend geweest, te indringend, of te dominant. Het uiterst zeldzame bij Ferdi E. is dat bij hem die identificatieproblemen zich voordeden met zijn vader. Het 'uiterst zeldzame' zit 'm niet zozeer in dit verschijnsel op zich -ook andere kinderen in het gezin hebben er problemen mee gehad- maar in het feit dat dit bij hem mede aanleiding is geweest tot zulke desastreuze gevolgen. Overigens is over dit aspect nogal geheimzinnig gedaan en tijdens de rechtszit-tingen is er, behalve in het genoemde korte fragment, niets over gezegd.

ASBEST

Bijna alle vragen in de zaak Heijn zijn beantwoord. Op een paar na. Was de rol van Mariska Kaspers zo eenvoudig als de politie suggereert? Korpschef Munting zei: Dat is een van de vragen waar jullie waarschijnlijk nooit een antwoord op zullen krijgen. Het is verleidelijk hierop door te speculeren. Was schilderes Mariska misschien de schakel tussen Ferdi E., via zijn schilderende vrouw Els, en de familie Heijn? Het is niet duidelijk waarom hier zo geheimzinnig over wordt gedaan. Els ontkent overigens dat ze Mariska kent. Hoe ziet ze eruit? vraagt ze, als we haar in 1988 kort interviewen over dit onderwerp. Els weet niet dat er een advertentie met de naam en het adres van Mariska in de krant heeft gestaan. Els: Het stond allemaal zo ver van me af, ik heb er nooit iets van gevolgd, het interesseerde me niet.

Telefoonboek

Dat interview, in feite niet meer dan een gesprek aan de deur van de woning in de M.L. Kingstraat, ging eigenlijk over iets anders. Eerst even terug naar de rechtszittingen. De dames en heren die voor kranten en bladen de rechtszittingen versloegen, stapten er gemakkelijk overheen. Ferdi E. kende het adres van Gerrit-Jan Heijn toevallig en er was zelfs iemand die liet afdrukken dat Ferdi E. het adres gewoon uit het telefoonboek had gehaald. Dat is een rare misvatting. Voordat Gerrit-Jan Heijn was ontvoerd had vrijwel nooit iemand van de man gehoord. Dat geldt in iets mindere mate voor Freddie Heineken, Maup Caransa en Toos van der Valk, al is dat nu nauwelijks meer voor te stellen. Maar wie had er buiten hun eigen zakencircuits van deze mensen gehoord voordat ze werden ontvoerd? Laat staan dat 'men' wist waar ze woonden. Ook al wist je dat Gerrit-Jan Heijn in Bloemendaal woonde, dan was het nog niet eenvoudig om er op onopvallende manier achter te komen waar precies. De familie Heijn stond echt niet in het telefoonboek. De vraag bleef dus: welk toeval bracht Ferdi E. bij Gerrit-Jan Heijn? Op beide zittingen werd het onderwerp omzeild; blijkbaar was dit doorgestoken kaart, wellicht op verzoek van de familie. De rechters namen wel erg snel genoegen met de mededeling van Ferdi E. dat hij het adres van Gerrit-Jan Heijn toevallig wist. Korpschef Munting mompelde iets over kennissen in de buurt, maar wilde er verder niets over kwijt.

Wraak

Er is ook nog een verhaal dat er binnen de familie E. wraakgevoelens zouden leven ten opzichte van het Ahold-concern. De ouders van Els hadden delicatessenzaken in Arnhem en zouden het onderspit hebben moeten delven toen er een AH-filiaal in de buurt werd gevestigd. Als motief lijkt dit onder de noemer lariekoek thuis te horen, nog afgezien van de vraag of het feitelijk juist is. Maar net als bij Mariska: vanwaar de geheimzinnigheid?
In augustus 1988 krijg ik een vreemde tip van iemand uit Ferdi's vroegere woonomgeving. Een van de dochters van Gerrit-Jan en Hank Heijn zou tijdens autorijles aan de instructeur hebben verteld dat haar moeder Ferdi E. jaren geleden al eens had ontmoet, in Indonesië. Dat verhaal heeft in een kleine club waarvan die rijschoolhouder deel uitmaakte, de ronde gedaan.

Eternit

Het speurtochtje begint bij de firma Eternit. Tijdens de eerste rechtszitting is deze naam bewust uit de publiciteit gehouden, op verzoek van het bedrijf. In hoger beroep viel de naam wel een keer terloops. Eternit is een Belgisch-Zwitsers bedrijf met in Nederland een vestiging in Amsterdam en in Goor. Voor dit bedrijf werkte Ferdi E. in 1974 in Indonesië. In Amsterdam en Goor is de spraakzaamheid over het onderwerp Ferdi E. nihil, in België is men minder terughoudend. Op de 23ste verdieping van het World Trade Center in Brussel wil de heer Jean-Claude Leclef best iets vertellen over de activiteiten van zijn firma in het Verre Oosten. 'We zijn in 1973 in Indonesië begonnen, in het plaatsje Gresia, op ongeveer 20 kilometer van Soerabaja. De produktie begon in 1974. Indonesië was toen een land met een zeker potentieel, zoals alle landen van Zuidoost-Azië. We produceerden er dakplaten en panelen. Behalve de asbestvezels kwamen alle grondstoffen uit Indonesië. Ik heb er zelf tussen 1974 en 1978 gewerkt. Er zijn nooit meer dan twee buitenlanders tegelijk geweest. De eerste Nederlander was de heer Koopman. Hij kwam van Eternit in Goor. Hij was er directeur, van 1973 tot juli 1974. De heer E. is iets later dan Koopman gekomen en iets eerder vertrokken. Hij was er als technisch-commerciële man. Koopman en E. kwamen niet goed overeen. Ik heb E. zelf nooit ontmoet, ik ken hem alleen uit de dossiers.

Ter opfrissing een gedeelte uit de behandeling in hoger beroep.
Rechter: Later bent u verkoopleider geweest bij Eternit in Amsterdam. U kon daar met de chef niet goed overweg. U had ten aanzien van die man agressieve dromen, waarin hij onthoofd werd en u dat hoofd begroef.
Ferdi E.: Ik kan mij dat niet herinneren, maar mijn vrouw wel.
Rechter: Toen bent u naar Indonesië gegaan. Dat is een zeer grote teleurstelling geworden. Met de algemeen directeur had u grote problemen. Ik laat nu maar in 't midden aan wie dat heeft gelegen. Van de zomer tot de winter van 1974 hebt u gedacht en gedroomd de directeur van Eternit te ontvoeren. U hebt ook de opwelling gehad hem te vermoorden. U wilde hem dwingen naar u te luisteren. U hebt het beeld gezien dat hij gegijzeld werd in een rioolbuis. Volgens het psychiatrisch rapport is het debâcle in Indonesië het voorspel geweest van wat er later in Nijmegen is gebeurd. Ziet u dat zelf ook zo?
Ferdi E.: Ik denk dat je 't moeilijk anders kúnt zien.

Het is niet helemaal duidelijk wie nu precies die directeur was op wie Ferdi E. zo uitzonderlijk gebeten was dat hij hem wilde ontvoeren. Een directeur van Eternit in Amsterdam of directeur Koopman in Indonesië? De vrouw van Ferdi, Els, zegt dat het een conflict was met de toenmalige directeur, maar dat dat niet Koopman was, maar iemand anders. Alle andere betrokkenen -inclusief de toenmalige directeuren van Eternit in Amsterdam- wijzen eenduidig in de richting van Koopman.
Het is nog een hele toer om Koopman op te snorren. Hij heeft een geheim telefoonnummer en als we hem uiteindelijk te pakken krijgen, staat hij op het punt naar Afrika te vertrekken. Hij wil er dan, in 1988, niet veel over zeggen. Zijn ex-vrouw misschien? Zij is meegeweest naar Indonesië. Het lukt uiteindelijk met haar een afspraak te maken, maar zij heeft in elk geval de familie Heijn niet in Soerabaja gezien. Voor de Eternit-vrouwen was er in Indonesië weinig te beleven. Hetzelfde geldt voor Els: Mevrouw Heijn heb ik pas voor het eerst gezien na de ontvoering, op foto's in de krant.

De Heijn-kant levert een verrassend aanknopingspunt. In het Overijsselse Diffelen woont de eerste vrouw van Albert Heijn. Ze is nimmer hertrouwd en vermaakt zich met haar paarden. Over de familie Heijn wil ze niet veel kwijt, behalve dat de vader van Hank, meneer Henk Engel, directeur-personeel is geweest bij Ahold, en in de oorlog in een Jappenkamp heeft gezeten. "In het begin van de jaren zeventig wilde Hank terug naar Indonesië om te kijken waar ze gezeten had. Ik dacht dat er ook kinderen mee geweest waren. Ze zijn er ongeveer zes weken geweest."
Als het verhaal van de rij-instructeur klopt, moet de ontmoeting tussen mevrouw Hank Heijn en Ferdi E. toen hebben plaatsgevonden, waarschijnlijk in Soerabaja. Het lukt niet dit verhaal te verifiëren. De telefoonverbinding met Indonesië is veel te beroerd om het op die manier uit te vinden. Een voorstel aan Els om samen met ons naar Indonesië te gaan om daar verder te zoeken, wordt -niet geheel verrassend- vriendelijk afgewezen.

Over de Indische wraakfantasie wil Els nog wel het volgende kwijt: "Ik heb dat verhaal aan professor Beyaert verteld, maar het is uit zijn verband gerukt. Ik heb verteld dat het een droom van hem was geweest, voor de rechtbank werd het gepresenteerd als werkelijkheid. In 1979 is over die zaak een proces geweest, daar staat alles in."
De proces-stukken zijn echter onmogelijk boven water te krijgen. In 1993 bel ik meneer Koopman nog maar eens op. Hij is nog steeds niet erg spraakzaam. "Ik zou er heel veel over kunnen vertellen, maar ik doe het niet. Wat heb ik erbij te winnen? Stel dat hij straks ontsnapt, wie weet wat hij dan gaat doen."
Maar wie was nou die directeur die hij wilde vermoorden?
Koopman: Dat was ik.
In 1979 zou er een proces zijn geweest over die kwestie en vanaf dat moment waren de wraakgedachten van Ferdi E. naar de achtergrond gedrongen.
Koopman: Daar weet ik niets van. Ik kan wel zeggen dat ik wel doorhad hoe meer E. in elkaar zat. Hij was soms slim, soms dom.
We nemen niet de moeite Ferdi E. zelf te benaderen. Zijn vrouw had al laten weten: Het ministerie heeft de pers verboden om Ferdi te bezoeken, om de familie Heijn te beschermen tegen onnodig leed. Bovendien raakt hij door elke publikatie van zijn stuk, en wij trouwens ook.

In maart 1993 schrijf ik een brief aan mevrouw Hank Heijn, met het verzoek om een interview met haar of andere familieleden. Enkele weken later komt er via Ahold een brief terug.

Zaandam, 1 april 1993

Geachte heer Korterink,
Mede namens mevrouw H. Heijn-Engel danken wij u voor uw brief van 8 maart jl. waarin u mevrouw Heijn en/of haar familieleden vraagt mee te werken aan een interview over de ontvoering van haar echtgenoot.
Aangezien wij tijdens en na de ontvoering van de heer Heijn voortdurend hebben opgetreden als haar woordvoerder, heeft mevrouw Heijn ons verzocht namens haar aan u te reageren; uiteraard voldoen wij graag aan dat verzoek.
Direct na het bekend worden van het overlijden van de heer G.J. Heijn heeft de familie laten weten 'nu en in de toekomst' in het openbaar niet meer in te willen gaan op de ontvoering en het overlijden van de heer Heijn.
Mevrouw Heijn, haar kinderen en andere familieleden wilden daarmee trachten in alle rust hun verdriet te verwerken en, voor zover dat mogelijk is na het overlijden van de heer G.J. Heijn, weer hun normale leven te leiden.
Nog regelmatig ontvangt de familie Heijn reacties van bekenden en onbekenden. Daaruit blijkt er nog steeds belangstelling is voor mevrouw Heijn en haar kinderen. Ook uit uw brief valt die belangstelling op te maken.
Ook nu weer heeft mevrouw Heijn echter besloten vast te blijven houden aan de verklaring die in april 1988 werd uitgegeven en verder geen mededelingen meer te doen. Dat besluit is tot stand gekomen juist met het oog op de wens van de familie om een zo normaal mogelijk leven te kunnen leiden. Dat betekent dat ook niet zal worden ingegaan op andere verzoeken die nog regelmatig worden gedaan voor interviews. Ongetwijfeld heeft u daar, gezien de achtergronden van deze afwijzing, begrip voor.
Overigens vroeg mevrouw Heijn ons nog met nadruk u te behoeden voor het maken van fouten. In hetgeen u schrijft met betrekking tot reizen naar Indonesië en mogelijk contacten daar, is alleen correct dat de heer en mevrouw Heijn indertijd gezamenlijk een bezoek aan dat land hebben gebracht.
Mede namens mevrouw Heijn danken wij u nogmaals hartelijk voor uw belangstelling en verblijven,
hoogachtend,
ALBERT HEIJN BV
Eric Muller,
Hoofd Public Relations.

Toch nog even gebeld. Wanneer zijn ze daar nou precies geweest? Erik Muller, die de familie goed kent, weet het niet. Lang geleden in elk geval. Hij wekt bepaald niet de indruk dat hij mevrouw Heijn wil bellen om het te vragen.