John Wijsmuller
EEN ZWETENDE GETUIGE
Op donderdag 20 september wordt de Amsterdamse vastgoedman John ‘Tarzan’ Wijsmuller (63) als getuige gehoord. Volgens justitie heeft Willem Holleeder hem afgeperst en daarbij gebruikgemaakt van twee Turkse medeverdachten, Senol T. en Ozan T. Wijsmüller verstrekte Senol grote leningen, die echter nooit werden afgelost. Later werd een Franse villa van Wijsmüller op naam van Ozan gezet, zonder dat daarvoor aantoonbaar een tegenprestatie werd geleverd. Senol T. kreeg in april schorsing van zijn voorarrest, door de hartproblemen van Holleeder. Tot woede van officier van justitie Koos Plooij liet hij bij de hervatting van het proces verstek gaan. Ozan T. was wel aanwezig.
Ik ben alleen ’s morgens en begin van de middag geweest. Volgens Willem Endstra, in de achterbankgesprekken, is Wijsmuller zwaar bedreigd en zwaar mishandeld. Hij zou bont en blauw zijn geslagen, in het grind hebben gelegen, smekend om zijn leven, keer op keer in elkaar geschopt en afgeperst.
’s Morgens wordt aan getuige Wijsmuller een aantal getapte telefoongesprekken voorgehouden.
Eerste gesprek 8 oktober 1998 om 15.59 uur. Senol T. belt Wijsmuller op diens kantoor Xantippe Holding.
Wijsmuller: Ja jongen, hij komt op je fax
Senol: Hij wacht er al de hele dag op, hij wordt een beetje overspannen.
Wijsmuller: Hij zal toch echt eerst moeten bekijken of de locatie hem aanstaat.
Volgende gesprek, zelfde dag, 17:56 uur. Tuna belt Wijsmuller.
Wijsmuller!
John?
Ja jongen.
Je fax is niet doorgekomen.
Ik heb het aan de secretaresse doorgegeven, ik zal zorgen dat hij hem morgenvroeg heeft. Morgenvroeg regel ik het allemaal. Dag jongen!
Officier van justitie mr. Koos Plooij: Weet u waarover dit ging?
Wijsmuller: Op dit moment is mij dat nog niet duidelijk.
Volgende gesprek, 12 oktober, 13:35 uur. Senol belt Wijsmuller. Het gaat over een woning voor een vriend, Wijsmuller zal dat regelen.
Senol: Ik heb zaterdag bericht gehad van de andere kant. Ik heb het nu over wat anders.
Wijsmuller: Weet ik.
(er wordt een afspraak gemaakt, om negen uur bij Wijsmuller thuis. Het gaat over ‘de vriend van Henk’)
Plooij: Wie wordt bedoeld met ‘de vriend van Henk’. Wie is Henk? Henk van S.?
Wijsmuller: Dat weet ik niet. Dat denk ik niet.
Plooij: Dat moet u zich toch kunnen herinneren?
Wijsmuller: Ik herken de stemmen, maar ik weet niet wie het zijn.
Plooij: Die tweede meneer, voor wie u de woning zou regelen, is dat Cervet Y.?
Wijsmuller: Cervet, ja.
Plooij: Wie was nou die Henk?
Wijsmuller: Dat kan ik me op dit moment niet herinneren
Plooij: Senol T. had toen contact met Henk van S. U had toen nog geen problemen met Henk van S.
Wijsmuller: Wat is uw vraag?
Plooij: Wie is Henk. Is er reden om aan te nemen dat het níet Henk van S. is?
Wijsmuller: Die reden heb ik niet.
Voorafgaand aan het volgende gespreksfragment vraagt Plooij: "In uw vrije tijd beoefende u de jacht?"
Wijsmuller: Dat is juist.
(gesprek van 12 oktober 18:35 uur. Wijsmuller belt Senol)
Wijsmuller: Ik red het niet om negen uur, ik ben niet voor tien uur thuis. Ik heb ook mijn programma. Kan het niet verschoven worden?
Senol: Ik heb respect voor je agenda, maar dit is belangrijk, ook voor jou.
Wijsmuller: Dat weet ik, dit is belangrijk voor ons allemaal.
Plooij: Wat was er nou zo belangrijk?
Wijsmuller: Ik zou het niet weten.
Plooij: Wat moest er besproken worden?
Wijsmuller: Ik zou het niet weten.
Plooij: Wie waren er nog meer bij?
Wijsmuller: Ik weet niet wat u bedoelt
Volgende gesprek, 12 oktober 23:59 uur. Senol belt Wijsmuller.
Senol: John, ik moet je morgen om twaalf uur vijf minuten spreken.
Wijsmuller: Is goed jongen, één momentje (raadpleegt agenda)
Kom anders even naar kantoor.
Senol: Met lunchtijd ga je toch naar buiten?
Wijsmuller: Ik heb geen lunchtijd.
Senol: Kom dan naar mij, in de Lange Leidsedwarsstraat.
Wijsmuller: Dat kan niet, kom maar naar het Apollohotel.
Senol: Ik bel je wel voor je kantoor op, met de auto, dan haal ik je wel af. En ik móet je spreken!
Plooij: Waarover wilde meneer T. u spreken?

Wijsmuller, Senol en Ozan
Wijsmuller: Op dit moment zou ik het niet weten, misschien is het beter eerst alle gesprekken af te luisteren. Ik dénk dat ik weet wat er wordt bedoeld.
Plooij: T. wilde niet op uw kantoor komen. Waarom niet?
Wijsmuller: Geen idee.
Plooij: Toen begreep u het wel.
Wijsmuller: Misschien dat we toen kleinbehuisd waren?
Plooij: Hij kwam anders wel geregeld bij u op kantoor.
Wijsmuller: Misschien omdat ik bezoek had?
Plooij: Waarom wilde hij niet op uw kantoor komen?
Rechter (mr. Verpalen): Dit komt vreemd voor, kunt u erover nadenken?
Wijsmuller: Ik zal erover nadenken.
Rechter: U begrijpt de relevantie van de vraag niet?
Wijsmuller: Nee.
Volgende gesprek, 14 oktober 15:25 uur. Wijsmuller belt Senol. Plooij: "De hamvraag is: waar gaat dit over?"
Senol: Ik heb het met mijn vriend besproken, we gaan er straks heen. Gisteren was je ook zo egoïstisch dat je alleen aan jezelf denkt.
Wijsmuller: Je vriend komt wel?
Senol: Hij komt zijn afspraken wél na. Denk erom hè? Ik ben niemands loopjongen, ik heb een bepaalde verantwoordelijkheid af te leggen.
Plooij: Waar ging dit over?
Wijsmuller: Dat zou ik op dit moment nog niet weten.
(na aandrang): Ik denk dat het gaat over een onroerendgoedtransactie. Er begint me na tien jaar wel iets te dagen, het was iets met woningen en onroerend goed.
Rechter: Was meneer T. betrokken bij onroerend goed?
Wijsmuller: Er waren drie transacties waar T. bij betrokken was. Het ging over een bedrijfspand op het industrieterrein in Amsterdam-West en om een project in Istanboel, met meneer Cervet Y.
De advocaat van Ozan T., mr. Ronald van der Horst, vraagt dan: Kende u elkaar al lang?
Wijsmuller: Ik ken hem al uit de jaren tachtig. De manier van praten beschouw ik als Turks temperament, dat is voor mij niets bijzonders. Ik ben gewend met Turkse mensen zaken te doen.
Volgende gesprek, 14 oktober 15:37 uur
Vechtsporter Hans N. belt Senol T.
Hans: Heb je met hem gesproken?
Senol: Ja, ik heb hem een paar klappen verkocht (hij legt uit dat ze een discussie hebben gehad, die erop neerkwam dat hij een hoerenkind was. Het had zich afgespeeld in het cafeteria van het Apollohotel. "Ik gaf hem twee klappen, iedereen keek."
Hans: Hard?
Senol: Nee, hij had alleen rode wangen. En ik gaf hem een stoot op zijn borst. Hij begreep het helemaal niet. Dus jij bent (niet goed verstaan, klonk als ‘een gezonde jongen, of ‘grote koopman’) en wij zijn hoerenkinderen? Je schijt in je broek voor die andere kankerlijers. Je betaalt ze drie ton. Ik dacht dat we wat hadden afgesproken. Je zegt dat je op vakantie gaat, maar je gaat jagen. Ik heb mijn afspraken verzet, en Henk en Hans en Dick (vermoedelijk doelt hij op Henk van S., Hans N. en freefighter Dick V.) Je doet maar of je een koopman bent, je bent een bekakt, verwend rijk stinkend mannetje. Ik ben geen loopjongen van jou, zo van: Ga maar even zitten, jongetjes.
Hans: Hij schrok z’n eigen natuurlijk de kanker.
Senol: Ik heb gezegd: We hebben jouw geld niet nodig. Als jou je nek wordt omgedraaid, kun je 15 miljoen betalen. Je bent ons aan het onderschatten.
Hans: Je kan ook de kip met gouden eieren wegdoen. Gaat ie nou op vakantie?
Senol: Dat heb ik hem verboden.
Plooij: Welke Hans is dit?
Wijsmuller: Het is een vriend van T., Hans N., ik heb hem wel eens ontmoet
Plooij: Iemand heeft u klappen gegeven.
Wijsmuller: Bij mijn weten niet.
Plooij: Heeft u wel eens klappen van T. gehad?
Wijsmuller: Nooit
Plooij: Is er een schermutseling geweest?
Wijsmuller: Nee. Als ik een klap van iemand krijg, blijft me dat meer bij dan iets anders.
Plooij: Het gaat om problemen met bepaalde mensen. Iemand is gaan jagen. U jaagt. Het lijkt er toch sterk op dat dit over u gaat.
Wijsmuller: Dat zou kunnen, maar ik heb geen schermutseling met meneer T. gehad. Ik heb nooit het idee gehad dat T. op mijn geld uit was. Hij deed hand- en spandiensten.
Rechter: Komt dit gesprek u bekend voor?
Wijsmuller: Er waren diverse gesprekken. Istanboel, dat was een groot project met grote belangen. Ik heb in Istanboel gewoond en gewerkt. Het is nog steeds niet doorgegaan, het heeft tot niets geleid. Misschien gaat het daarover.
(als dat project van circa 25 miljoen gulden wel was doorgegaan had Senol een ‘fee’ van zo’n 350.000 gulden gekregen)
Advocaat Van der Horst: Meneer T. heeft het over een ‘rijk, bekakt mannetje’, bedoelt hij u daarmee?
Wijsmuller: Nee, dat kan niet, want ik ben niet rijk en niet bekakt. Ik ben ook nooit bedreigd door meneer T.
Volgende gesprek, 14 oktober 15:54 uur. Senol T. wordt gebeld door Henk van S.
Senol: Ik heb net met Dick gesproken (ik verstond Dino, maar volgens de andere aanwezigen is die naam niet genoemd en zal het over freefighter Dick V. zijn gegaan), het was weer een hoop gezeik met die grijze.
Henk: Hij heeft hem weer bedreigd, hij heeft zijn telefoon uitgezet. Die grijze laat me gewoon op het matje komen.
Plooij: Herkent u deze stem?
Wijsmuller: Dat is Henk van S.
Plooij: Wie bedoelen ze met ‘de grijze’?
Wijsmuller: Geen idee.
Volgende gesprek, zelfde dag, 16.13 uur:
Senol T. belt Henk van S.
Henk: Vanmiddag moet hij weer komen, hij schijt in zijn broek.
Volgende gesprek, zelfde dag 22.09 uur, Hans N. belt Senol T.
Hans: Ik heb Dick nog gesproken op de sportschool. De grootste fout is: wij waren op die afspraak niet te laat.
Senol: Hij heeft een andere mentaliteit. Hij is degene die de problemen heeft, ik heb ook gezegd dat hij zijn water bij mijn wijn moet doen, ‘ik doe niet mijn water bij jouw wijn’. Hij moet zich bij onze mentaliteit aanpassen, hij komt naar ons toe.
Hans: Wie heeft jou erbij gehaald?
Senol: Hij heeft mij er als dirigent bij gehaald.
Volgende gesprek, zelfde dag 22.15 uur:
Senol belt de voicemail van Wijsmuller. ‘Ik maak me een beetje ongerust, bel me even op, maakt me niet uit hoe laat.’
Volgende gesprek, 15 oktober 15.21 uur. Wijsmuller belt Senol. Hij wil een afspraak maken.
Senol: Hoe ging het gisteren?
Wijsmuller: We hebben een hele mooie woning in de Rijnstraat.
Senol: Dat hoeft allemaal niet door de telefoon.
Volgende gesprek, 15 oktober, 22.40 uur, Senol T,. belt Wijsmuller thuis en begint zonder zijn naam te noemen met: "Je telefoon staat uit, vriend!" En verder: Die grijze doet moeilijk, onze vriend is zich aan het verschuilen.
Rechter: Weet u wie met ‘die grijze’ wordt bedoeld?
Wijsmuller: Nee.
Plooij: Zou het Cervet Y. kunnen zijn?
Wijsmuller: ik denk het niet.
Volgende gesprek, 18 oktober, 22.12 uur: Senol belt naar het privénummer van Wijsmuller, mevrouw Wijsmuller zegt: "Mijn man is er niet, hij is een paar dagen weg, wist u dat niet?"
Senol belt meteen Hans N.: ‘Die boerenlul is gaan jagen. Kankerhond.’
Hans: Als jij je al te druk maakt zijn we straks alles kwijt.
Plooij: Meneer T. en meneer N. hebben het over u.
Wijsmuller: Dat is redelijk duidelijk.
Plooij: Wat had Hans N. met u en uw zaken te maken?
Wijsmuller: Niets.
Plooij: Het gekke is dat Hans N. zegt dat meneer T. te opgefokt is, ‘ik doe het de volgende keer zelf. Hij was nog veel te bang van de vorige keer natuurlijk.’
Wijsmuller: Ik zou het niet weten, meneer de officier.
Plooij: Het vorige gesprek ging over iemand die klappen had gekregen.
Wijsmuller: Daar heb ik geen mening over.
Rechter: Weet u nu waar het over ging?
Wijsmuller: Geen idee.
Het volgende gesprek, 23 oktober 18.22 uur, tussen Senol T. en Wijsmuller, gaat over banktransacties. Senol zegt: ‘Dit hoeft niet over de telefoon’. Wijsmuller zegt dat hij zaken heeft gedaan met Henk van S., met een villa in Zuid-Frankrijk en het exporteren van tractoren van Europa naar Liberia. "Ik heb daar een visserijbedrijf, ik heb diverse tractoren van Van S. gekocht."
Advocaat Jan-Hein Kuijpers zegt dan: ‘Die grijze’, dat interesseert mij. Kan het zijn dat dat meneer Endstra is?
Wijsmuller: Hij was ook grijs.
Kuijpers: En dat project in Liberia, welke partijen waren daarbij?
Wijsmuller: Endstra en ik.
Volgende gesprek, 23 oktober 22.45 uur, Henk van S. belt Senol T.
Henk: Hoe is het afgelopen? Heb je hem een draai om de oren gegeven?
Senol T.: Waarom is hij weggegaan?
Henk: Hij was veel te bang voor je.
Senol: Dat zullen we hem wel afleren. Ik zal hem wel iets in zijn oren fluisteren.
Plooij: Waar gaat dit over?
Wijsmuller: Ik heb het gevoel dat het helemaal niet over mij gaat, gezien de teneur van het gesprek. Ik ben nog nooit bang geweest voor meneer T., daar is ook geen reden toe.
Plooij: (ook teruggrijpend op de eerdere gesprekken) Het klinkt wel denigrerend. Boerenlul en kankerhond.
Wijsmuller: Het gaat niet over mij.
Tot zover heb ik het zelf gevolgd. De naam Holleeder was nog niet één keer in het stuk voorgekomen. Over hoe het verder ging een stukje uit het verslag dat Menno van Dongen en Marc van den Eerenbeemt maakten voor de Volkskrant:
"In de loop van de dag begon Wijsmuller te zweten en zijn gezicht werd steeds roder. Tot drie keer toe wezen de rechters hem erop dat hij onder ede stond. Een aanklacht wegens meineed hing in de lucht. Maar de vastgoedman zwichtte niet en de rechtbank en het OM lieten het erbij zitten. Op de publieke tribune overheerste de gedachte dat Wijsmuller iets verzweeg. Maar wat? Het is ook mogelijk dat hij zich bezighield met criminele activiteiten als witwassen en hasjhandel en dat hij die wil verbergen. Justitie deed al eens een inval in zijn kantoor, maar tot een veroordeling kwam het nooit."
Veel meer over Wijsmuller’s activiteiten staat op de website van Vrij Nederland. Daar komt ook de observatiefoto vandaan, waarop Wijsmuller te zien is samen met Senol en Ozan.
|